ÿþ<!DOCTYPE HTML PUBLIC "-//W3C//DTD HTML 4.01 Transitional//EN" "http://www.w3.org/TR/html4/loose.dtd"> <html lang="nl"> <head> <meta http-equiv="Content-Language" content="nl"> <meta http-equiv="content-type" content="text/html; charset=ISO-8859-1"> <meta name="description" content="Aankoop Loonse en Drunense Duinen. "> <title>Aankoop Loonse en Drunense Duinen door Natuurmonumenten. Aflevering 3. Frans Mombers, aankoper en correspondent voor de Vereniging.</title> </head> <body><body leftmargin="180"><body rightmargin="280"> <br> <h1>Aankoop Loonse en Drunense Duinen door Natuurmonumenten</h1><h2>Aflevering 3. Frans Mombers, aankoper en correspondent voor de Vereniging</h2><h3> <I>Jan van Iersel</I> </h3> <p>Mombers ontwikkelde zich na zijn eerste kennismaking met Van Tienhoven al gauw tot de aankooponderhandelaar van de Vereniging. Daarnaast werd hij belangenbehartiger en adviseur, zoals uit tal van brieven blijkt. Krantenberichten en wetenswaardigheden over de Loonse en Drunense Duinen en omgeving die - direct danwel indirect - voor Natuurmonumenten interessant of van belang konden zijn briefde hij spontaan door. Enkele voorbeelden uit zijn eerste jaren als aankoper:<br> - '(...) Met den zelfden post gaat een courant dezer streek waarin voorkomen twee schilderstukken, het een, een landschap op Texel, het andere der Drunensche duinen. (De schilder Theo van Delft is een Waalwijker.) Onder Kunst en letteren kunt u de recensies lezen. Het doel is om u te doen zien, dat men hier het natuurschoon ook wel weet te waardeeren.'<br> - 'Er waren twee heeren in de duinen met een schop, die zochten naar voorwerpen uit een oud tijdperk.' <br> - Over een plan tot vestiging van een 'z.g. lunchroom' bij de Roestelberg, waar hij niet enthousiast over was: 'De Roestelberg en omgeving is van ouds het geliefkoosde uitstapje geweest der Waalwijkers. Jammer dat gedurende de mobilisatie jaren het meerendeel der bosschen verdwenen is. (...) De man kan er wellicht goede zaakjes maken, de wandelaars zullen het heerlijk vinden, maar voor den boschbezitter blijft gewoonlijk liggen "de schillen en de doozen" en een beschadigd bosch. Al dat gepic-nic en camping van die sigaretten rookende jongelui met hun indianenmanieren van vuurtje stoken en een bijltje i/den gordel zijn heel aardig ... in een bioscoop.'<br> - 'Naar ik verneem is men voornemens op de onlangs verkochte ontginning de Magriet een farm te stichten met anex zilvervossenfokkerij, deze zouden uit Canada en Alaska worden aangevoerd. Het is dus te voorzien, dat de midinettes van de Langstraat hun konijnenbontjes met een renard argenté gaan verwisselen.'<br> - Over vernielingen bij het plukken van mastappels: 'Niet zelden zijn er een of twee jongens bij die in de boomen klimmen en daar de mooiste trossen gewoonlijk in den top hangen kunt u wel raden wat er gebeurt. Tenminste die ondervinding heb ik in mijn bosschen vroeger opgedaan. Tegenwoordig nu het toezicht beter is, heeft men van vernieling weinig of geen last meer. Dit belet niet, dat ik aan arme menschen wel vergunning zou verleenen om de afgevallen krootjes op den grond te verzamelen, zoodat zij toch hebben wat zij wenschen.'<br> - 'De volgende week is het kermis in Kaatsheuvel. Er komen zeker een paar woonwagens op het perceeltje B nr. 1268 a/d prov. weg. Daar deze lui hun huishouden gewoonlijk in de open lucht doen is het brandgevaar in dezen tijd niet gering. (...) Zoudt u boschwachter Pijnenburg willen verzoeken daarvoor maatregelen te nemen.' <br> - Over boeren die steeds meer vragen voor hun gronden: 'De reden hiervan is, dat de gemeente Tilburg al de gronden opkoopt tusschen het kanaal en den weg L.o.z.-Udenhout. Men betaalt voetstoots ’ 500 p. h.a. behalve den opstand.'<br> - 'Het zou dwaasheid zijn, gezien het groote verschil van vraagprijs en waarde om daar expres op uit te trekken. Ik zou niets met hen bereiken, dan dat ik een gelegenheid gaf mij flink te beleedigen. Dezelfde menschen die alles zullen doen, vriendelijk en gedienstig zijn, wanneer er een betrekkelijk gering bedrag ook voor houtopstand te verdienen is, worden gewoonweg onhandelbaar en zelfs boos wanneer het over grond gaat.' <br> - Antwoord op Van Tienhovens opmerking dat hij vlug met de pen was: 'Wat de welversneden pen betreft, zoo schrijf ik nog met een gewone kroontjes pen, een Parker Dufold, Swan of Waterman zou heel wat zachter over het papier glijden, vooral buitenshuis zou dit dikwijls goede diensten bewijzen.' <br><br> Mombers interesse beperkte zich wat de Vereniging betreft niet tot de Loonse en Drunense Duinen. De gang van zaken in het algemeen en de vorderingen bij de aankoop van andere terreinen hadden eveneens zijn belangstelling, zoals blijkt uit vragen als: 'Apropos, is de koop in de drentsche hei al tot stand gekomen? Hoe staat het met de kaart gemaakt door het staatsboschbeheer? Mag ik van u een exemplaar ontvangen, ook heb ik nog geen huishoudelijk reglement of statuten der Vereeniging.' <br> Toen er een koffiehuis te koop stond aan de Hoge Steenweg te Loon op Zand, tipte hij Van Tienhoven dat het een geschikt pand was als boswachtershuis, waarna Verhoeven het moest gaan bekijken. Deze stelde vast: 'Het koffiehuis te Loon op Zand is aan ’ 2725,- zeer goedkoop, en kunt u daarmede geen strop behalen, voorlopig zou die woning wel gebruikt kunnen worden als boschwachterswoning, doch op den duur zal dat niet meevallen, daar ik vermoed dat de terreinen in de duinen nogal uit kunnen breiden, zou ik nog niet durven zeggen waar de geschikste plaats is voor een blijvende boschwachterswoning.' Verhoeven vertrouwde het stuifzand niet! Van Tienhoven liet daarna het oog vallen op een locatie in Westloon: 'Huis bouwen bij schuur en Jan Peijnenburg boschbaas?' <br> Tot de aanstelling van een boswachter voor de Loonse en Drunense Duinen, nam Mombers ook de meest uiteenlopende boswachterstaken voor zijn rekening. Een voorbeeld over de overlast van konijnen: 'De personen die mij verzochten u permissie te vragen om konijnen te schieten zijn a) P. v. Laarhoven die op mijn bouwhoeve woont b) de heer P. Mombers-Smelt, mijn broer. (...) Wilt u permissie geven om konijnen te schieten en te vangen door middel van fretten en buidels, dan is het eenvoudigste dit aan mij te doen om in gezelschap daar gebruik van te maken. Ik zal nu & dan die aanvragers wel eens meenemen.' Mombers kreeg de gevraagde permissie. <br> Verder hield hij zich bezig met het bosbeheer. Zo maakte hij een afspraak met Dictus over de levering van planten voor de eigen kwekerij bij de schuur en droeg hij zorg voor de afrastering van de kwekerij met gaas. Hij werd belast met de verbouwing van de woning voor boswachter Peijnenburg, die in de zomer van 1929 zijn benoeming kreeg met als standplaats Loon op Zand. En wat hij ook op zich nam, het was nooit half werk. Hij reisde zelfs naar het Kadaster en naar de hoofdingenieur van de Waterstaat in Den Bosch om te bespreken of de drie lindebomen voor de boswachterswoning mochten blijven staan.<br> Wat hier tenslotte evenmin onvermeld mag blijven is dat hij zich ook veel moeite getroostte om leden te werven voor de Vereniging. Hij probeerde bij wijze van spreken iedereen die hij op zijn weg tegenkwam tot een lidmaatschap te bewegen. Dat ging zo ver dat hij Natuurmonumenten op een bepaald moment verzocht om 'een lijst van personen uit Waalwijk die reeds lid zijn. Ik zou daaruit kunnen zien, wie of het nog niet zijn.'<br><br> Tegelijkertijd ging Mombers onvermoeibaar door met aankopen, zowel voor eigen rekening als voor de Vereniging. Het ging om een veelheid van overwegend kleine percelen, waarbij soms de zaken door elkaar gingen lopen. Niemand wist dan meer hoe het precies was gegaan en aan welke kant het abuis zat. Mombers vertrouwde in zo'n geval op de administratie in Amsterdam: 'De zaken worden steeds met alle bereidwilligheid in vriendschap gedaan, dus zal in deze uwe bevinding de mijne zijn.'<br><br> <IMG BORDER="0" SRC="aankoop03Kleef.jpg" width="800" height="350" alt="aankoop perceeltje Land van Kleef" title="Aankoop perceeltje Land van Kleef." HSPACE="10" align=left></a><br><P style="clear: left;"><br><br> In de aankooponderhandelingen was zijn eerste zorg hoe het vertrouwen van de verkoper te winnen. Als mens én als zakenman voerde hij beginselen als eerlijkheid en integriteit hoog in het vaandel. Het adagium ieder het zijne nam ongetwijfeld een belangrijke plaats in als ethische grondslag van zijn handelen en doen. Sprekend over het aankopen van perceel D 1502 al dan niet in combinatie met D 1371 in het Land van Kleef merkt hij op: 'Wanneer men rechtvaardig handelt, kan men ten alle tijd bij iedereen terugkomen.' Deze beginselen deden geen afbreuk aan zijn onderhandelingstechnische vaardigheden. In het oog vallend waren zijn slimheid, inventiviteit, vasthoudendheid en slagvaardigheid van optreden, niet alleen bij aankooponderhandelingen maar ook waar het de behartiging van zijn persoonlijke belangen betrof. <br><br> Mombers aan Van Tienhoven, Waalwijk 27 oktober 1926: <br><br> 'Wanneer u de overtuiging hebt, dat ik u nuttig ben ter bereiking v/uw doel in deze streek dus uwe taak voor een deel kan verlichten en u wilt dan toch eene benoeming doen zooals zaturdag l.l. dan zou ik b.v. wel een plaatselijk correspondentschap aannemen in zooverre dit de aangelegenheden in de Loonsche hei betreft. Voor al den tijd, moeite en kosten daaraan te besteden, verlang ik in compensatie daarvan, de jacht en 5% van den aankoop van ieder perceel door mijne bemiddeling met een minimum van ’ 10,- p. perceel. Me dunkt dat ik dit jaar de jacht al dubbel en dwars verdiend heb.' <br><br> In zijn verslagen aan de Vereniging over de vorderingen die Mombers maakte bij zijn onderhandelingen, kwam soms ook ter sprake hoe hij tewerk ging. In een gesprek met Van Tienhoven vertelde hij eens wat voor tactieken hij gebruikte om mensen over de streep te trekken, bijvoorbeeld met iemand enkele uren in de natuur rond blijven lopen: 'Als eene mensch moei is, geeft hij graag toe, zoo dacht ik.' Bij de verkoper aan huis werkte die tactiek trouwens ook. <br><br> Mombers aan Van Tienhoven, Waalwijk 5 maart 1927: <br><br> 'Verder is er dit. Wanneer het zoo ver gekomen is, ik bij iemand in huis ga om te koopen dan moet ik vastbesloten zijn de zaak radicaal er door te halen. Al duurt z'oon onderhandeling somtijds ook 3 uur, men moet niet heengaan voor het doel bereikt is. <br> Ik heb van ondervinding wanneer men daarover nog terug moet komen, het gewoonlijk nog lastiger is. (...)<br> Verder raadt U mij aan ZEd. als voorbeeld te stellen ik persoonlijk ook mijn krachten en tijd belangloos geef voor de vereenig. Dit is niet juist. Ik zou denken, dat alle gewone normale menschen die arbeid voor een ander doen daarvoor een belooning verwachten in welken vorm dan ook, ja zelfs daar een natuurlijk recht op hebben. Daar uwe vereeniging een materieel doel nastreeft, kan hiervan ook geen geestelijke belooning in het uitzicht gesteld worden. Dit is toch logisch.<br> Toute peine mérite salaire, zeggen de franschen, il est juste de récompenser tout service render.'<br><br> De boodschap was duidelijk: aankopen is hard werken en het kost heel veel tijd, dus daar past een beloning bij. Op deze manier werden in de correspondentie tussen Waalwijk en Amsterdam de rapportages over de aankooponderhandelingen en verdere bemoeienissen met grotere of kleinere tussenpozen afgewisseld met onderhandelingen over het 'correspondentschap' van Mombers en de daarbij behorende passende arbeidsvoorwaarden. Soms gebeurde dat tussen de regels door. Aankopen kostte niet alleen veel tijd, er kwam ook heel wat bij kijken. Dat speelt men 'zomaar niet klaar met een potje bier en een rookertje', liet Mombers niet na te benadrukken. En wanneer die boodschap in Amsterdam niet over leek te komen vond hij dat ook best, dan gingen ze maar zonder hem verder en had hij weer tijd voor zijn eigen grondbezit. Ook toen Van Tienhoven weer eens een bezoek bracht aan Brabant bracht Mombers het onderwerp ter sprake. Van Tienhoven zegde toe dat Natuurmonumenten de door Mombers gemaakte onkosten zou vergoeden. In de hierop volgende briefwisseling ontstond een meningsverschil over de interpretatie van wat te verstaan onder 'onkosten'. Partijen kwamen niet tot elkaar, integendeel, de zaak dreigde te escaleren. Van Tienhoven zag in dat schriftelijk onderhandelen zo z'n beperkingen heeft en haalde Mombers over naar Amsterdam te komen om over vergoeding van 'reis- en andere kosten' te spreken, vooralsnog echter zonder resultaat.<br><br> Van Tienhoven aan Mombers, Amsterdam 29 augustus 1927:<br><br> 'Met veel genoegen denk ik nog terug aan Zaterdag, toen wij onder Uw leiding zulk een prettigen tocht hadden in de omgeving van Loon op Zand en zooveel belangrijke gegevens van U ontvingen omtrent de noodzakelijke uitbreiding van onze bezitting.<br> Het zal U duidelijk zijn dat wij U geheel als een der onzen beschouwen en telkens waardeeren wij het des te meer, omdat wij weten, hoeveel moeite U zich getroost in het belang van onze Vereeniging. Indien het eenmaal mocht gelukken een goed afgerond gebied te verkrijgen in die streek, hebben wij iets tot stand gebracht, waarop niet alleen wij en Uw omgeving, maar geheel Nederland trots op kan zijn en het zal voor U een aangename gedachte zijn en blijven daaraan zoo krachtig te hebben medegewerkt. (...)<br> Wij zijn U ten zeerste erkentelijk voor alles wat U voor onze Vereeniging gedaan hebt en nog steeds doet en als blijk daarvan zenden wij U hierbij een jachtvergunning voor konijnen, hazen, patrijzen, fazanten en eenden, geldig tot 1 Maart 1928. Wij hebben geen andere namen van diersoorten genoemd, omdat wij de korhoenders en korhanen gaarne willen sparen en deze beperking zal voor U geen bezwaar zijn, omdat U, evenals wij, van oordeel zijt, dat de zeldzamere diersoorten met rust gelaten dienen te worden. Het is de eerste maal, dat de Vereeniging, die bijna 25 jaar bestaat, een dergelijke vergunning afgeeft.' <br><br> Van Tienhoven aan Mombers, Amsterdam 1 september 1927:<br><br> 'Natuurlijk nemen wij de vergoedingen, door U aan Peerke Verhoeven gegeven, gaarne voor onze rekening, doch wij zouden U willen voorstellen, dat U ons eens per kwartaal of per half jaar een opgave doet toekomen ter verrekening.<br> Mocht U aan een andere regeling de voorkeur geven, dan gaan wij daarmede natuurlijk gaarne accoord. U wilt ons daarover nog wel nader schrijven.'<br><br> Mombers aan Van Tienhoven, Waalwijk 3 september 1927:<br><br> 'Het is met genoegen en groote voldoening ik steeds uit Uwe brieven lees, mijn werk door U ten zeerste gewaardeerd wordt. Uwe spontane aanbieding met mij eene regeling te treffen om mij finantieel in de onkosten tegemoet te komen is wederom een klaar bewijs. Om niet enkele perceelen, maar geheele landstreken in bezit te krijgen, zou velen een hopeloos werk toeschijnen; maar de levenservaring van Ramsay Macdonald is ook de mijne: zich hardnekkig vasthouden aan de taak die men zich heeft voorgenomen te volbrengen en dit ook van harte doen. Nu, ik doe het van harte. Wat de finantieele uitgaven betreft die ik voor de vereenig. moet doen, om steeds met goede resultaten te werken, zie hier ongeveer de specificatie.<br> Schrijfbehoeften, porto's, Kadaster ’ 0,50 per dag, reiskosten ’ 0,60 per dag, schenkingen, onvoorz. uitgaven ’ 0,50 per dag, voor mijn tijd en arbeid ’ 1,50 per dag.<br> Wat de schenkingen betreft, zoo is op te merken dat ik met de bewoners van alle omringende dorpen in vriendschap moet zijn en blijven, die maar iets met het groote gebied dat aangekocht wordt, hebben uit te staan.<br> Eene redelijke vergoeding zou dus vooraf voor eene halfjaarlijksche rekening zijn vast te stellen 1 juli tot 31 December 1927 op f 3,- x 150 dagen = f 450,-.<br> Het zou voor mij moediger en ook een meer dankbaar werk zijn.'<br><br> Bijgevoegd was een krantenknipsel van een essay onder de kop 'Wat het leven mij leerde' van de hand van J. Ramsay MacDonald, oppositieleider in het Britse Lagerhuis ... 'Ik ben er op voorbereid, dat men mij critiseeren zal wanneer ik zeg, dat de oprechte vreugde, die ik in harden arbeid smaak, het beste is wat het leven mij geleerd heeft. (...) De groote ideeën van het leven veranderen nooit; dat geldt voor het idee van den dienst aan de gemeenschap, de samenwerking en de verbetering van het leven der massa.' <br><br></p> <HR SIZE="3" COLOR="purple"><br> <A HREF="aankoop03donald.pdf" TARGET="_BLANK">Krantenknipsel J. Ramsay MacDonald (3 MB).</A><br> </p> <HR SIZE="3" COLOR="purple"> <p> Van Tienhoven aan Mombers, Amsterdam 5 september 1927:<br><br> 'Wij vermoeden dat U onzen brief, waarin wij over terugbetaling Uwer uitgaven spraken, niet goed begrepen hebt. U weet dat wij alle waardeering hebben voor Uw werk en wij weten ook dat U de levensregels van Ramsay Mac Donald onderschrijft, n.l. dat men zich hardnekkig te houden heeft aan elke taak en dat men geen goed werk kan verrichten, wanneer men dat niet van harte doet. De resultaten, die U hebt bereikt, bewijzen dat die levensregels voor U geen holle phrase zijn. <br> Persoonlijk stel ik mij op een dergelijk standpunt. Langer dan 20 jaar wijd ik mijn krachten aan de bloei der Vereeniging, niet uit persoonlijke overwegingen maar omdat ik weet dat het werk der Vereeniging een groot algemeen belang is, hoewel dat nog niet allerwegen erkend wordt.<br> Wij hebben het redelijk gevonden, dat U Uw onkosten aan de Vereeniging in rekening zoudt brengen, maar eerlijk gezegd gelooven wij niet dat het U ernst is, als U ook een schadeloosstelling noemt voor tijd en arbeid. Daarvoor heeft het streven onzer Vereeniging te veel Uw warme instemming en ik weet dat wij beiden de meening zijn toegedaan, dat het stichten van uitgebreide natuurmonumenten een doel is, wel een persoonlijk offer waard. Heb ik dat niet juist geraden? <br> Wij beiden voelen ons als de mijnwerker van Ramsay Mac Donald, die met lust zijn bezigheden ging uitvoeren, toen hij eenmaal begrepen had dat hij niet alleen voor zichzelf maar ook voor anderen werkte.'<br><br> Mombers aan Van Tienhoven, Waalwijk 7 september 1927: <br><br> 'Mijn arbeid wordt hierdoor den laatsten tijd te omvangrijk, ik begin te merken het beheer van mijn eigen goederen er onder begint te lijden. De specificaties die ik opgegeven heb van uitgaven en arbeid is als minimum te beschouwen. Ik noem het woord "arbeid", maar kan daarvoor evengoed "slijtage" in de plaats stellen. Het zou immers belachelijk zijn, voor zóóveel geestelijke en lichaamelijke inspanning, dat luttelijke bedrag aan te geven; men verslijt het alleen reeds aan de kleeding, zich dag aan dag door al die bosschen heen te werken.' <br> <br> Mombers aan Van Tienhoven, Waalwijk 10 september 1927: <br><br> 'In uw brief van 5 Sept. l.l. schrijft u mij u het redelijk vinde de onkosten voor de vereeniging gemaakt in rekening te brengen. Ik heb u hiervan eene specificatie gegeven, te voldoen met 1/2 jaarlijksche termijn 1 Juli - 1 Jan. Mag ik hiervan bevestiging ontvangen.' <br><br> Van Tienhoven aan Mombers, Amsterdam 12 september 1927:<br><br> 'Wat het verdere gedeelte betreft van den inhoud van Uw brief, ik wil deze kwestie gaarne eens mondeling met U behandelen, hetzij in Brabant, als ik daar weer kom, hetzij op ons kantoor, indien U nog eens te Amsterdam moet zijn. Ik had niet kunnen denken, dat het eenvoudige verzoek om ons Uwe onkosten op te geven, zulk een nasleep zou hebben en het is moeilijk om deze kwestie schriftelijk afdoende te behandelen. Natuurlijk zult ook U aan een bespreking de voorkeur geven.' <br><br> Mombers aan Van Tienhoven, Waalwijk 19 september 1927:<br><br> 'Daar ik vanmorgen doornat van den regen in L.o.z. aankwam en het weer nòg slechter werd, zoo heb ik de verdere zaken maar laten rusten.<br> Volgens uw schrijven zou ik nog onkosten moeten maken om naar Amsterdam te komen om over de onkosten te spreken, 'n beetje paradoxaal, vindt u niet? (...) Morgen zal ik weer naar 's Bosch gaan om papier tot het maken van kadastrale extracten. Ik ben van plan een kaart te maken, waarop de perceelen voorkomen die liggen tussen L.o.z. en Kaatsheuvel aan weerszijden van den prov. weg en vanaf dien weg naar Roestelberg d.w.z. ten noorden van de Biersteeg alles met betrekking tot de duinen (dus den gordel die om de duinen loopt).' <br><br> Van Tienhoven aan Mombers, Amsterdam 23 september 1927:<br><br> 'In Uw laatste brieven komt U telkens op de groote opofferingen, die U zich ten behoeve van ons getroost; U weet, dat wij Uw medewerking op bijzonder hoogen prijs stellen, doch het komt ons voor, dat U deze wel wat al te veel waardeert om de geldswaarde, en vermoedelijk bestaat er hieromtrent eenig misverstand, dat wij alleen kunnen oplossen, als wij elkaar eens spreken. U zijt een mobile persoonlijkheid en daarom acht ik het niet uitgesloten, dat U Amsterdam wel eens betrekken zult in Uw reisplannen, en dan ben ik er zeker van, dat alle misverstand uit den weg zal worden geruimd.<br><br> Mombers aan Van Tienhoven, Waalwijk 24 september 1927: <br><br> 'Wanneer ik tot heden op zulk een doortastende wijze uwe belangen heb voorgestaan is dit grootendeels te danken aan uwe zeer vriendelijke en beleefde correspondentie, alsmede ik u persoonlijk heb leeren kennen als een sypathieke nobele man. Het is daarom spijtig in den laatsten tijd in uwe brieven woorden voorkomen, waarin ik de ironie voel; in uw schrijven van 23 dezer is nog iets meer dan 'n insinuatie te lezen. En dat alles, omdat ik eene kleine specificatie gegeven heb van de onkosten die ik noodzakelijk doen moet, omrede u mij zelf meermalen geschreven hebt ik geen finantieel nadeel mag lijden. Is er in deze een misverstand: nu goed, laat ik dan de minste zijn en zeggen dat ik abuis heb; hoewel ik geen voorstel gedaan heb, dat onredelijk of niet aannemelijk is.' <br><br> Van Tienhoven aan Mombers, Amsterdam 28 september 1927:<br><br> 'Werkelijk moet ik nu wel veronderstellen dat er een misverstand bestaat, omdat de inhoud van Uw laatsten brief voor mij absoluut onduidelijk is. U spreekt van insinuatie en heusch, hiervoor is niet een enkele grond.<br> Ik zou het waardeeren, als U de moeite zoudt willen nemen om ons een bezoek te brengen, want ik vrees, dat mijn drukke werkkring de eerste dagen mij verhinderen zou, om, wat ik zoo gaarne doe, naar Brabant te komen, en met U op de door ons geliefde terreinen van gedachten te wisselen. Wees er echter van overtuigd, dat niet een schaduw van onaangename bejegening ons in de gedachten zweefde bij de altijd zoo aangename correspondentie met U.' <br><br> Mombers aan Van Tienhoven, Waalwijk 26 oktober 1927: <br><br> 'Wat de toegezegde 2% betreft, wanneer ik die ontvang, zoo zal ik daarvan de helft aan Jan Verhoeven geven. Hij heeft steeds de perceelen met mij door weer en wind bezocht, is prompt op tijd aanwezig en heb daar steun aan.'<br> 'Inliggend ontving ik heden van U een postcheque van ’ 200,-.<br> Mijne welgemeenden dank voor de hartelijke ontvangst bij U genoten, ook nog speciaal aan Mijnheer Drijver.'<br><br> Na in het najaar van 1928 een flinke kou te hebben opgelopen 'met al die regenbuien' bereidde hij Natuurmonumenten voor op zijn vertrek. 'Het is wel mogelijk ik dezen winter naar Zuid-Frankrijk ga.' Van Tienhoven reageerde per omgaande: 'Het speet mij te vernemen, dat U kou gevat hebt; ik hoop van harte, dat Uw toestand nu weer gunstiger moge zijn. Daarover wilt U mij wel met een enkel woord inlichten. Het zou vreemd zijn, indien U aan Uw voornemen gevolg zoudt geven om dezen winter naar het buitenland te gaan. Wij hebben de laatste jaren vrijwel doorloopend met elkaar in verbinding gestaan en steeds hebben wij op U kunnen rekenen bij het groote werk der Vereeniging.' Van overwintering in warmere oorden zou het echter die winter niet komen en hun briefwisseling bleef onverminderd intensief. Al gauw bepleitte Mombers een vergoeding van ¬ 200,- per zes maanden - een aanzienlijke verhoging dus - en opnieuw volgde een briefwisseling tussen twee heren. <br><br> Van Tienhoven aan Mombers, Amsterdam 27 februari 1929:<br><br> 'Wij hopen, dat U ermede accoord gaat, ook thans een termijn van 9 maanden te nemen om de onkosten onzer Vereeniging niet te hoog op te voeren.'<br><br> Mombers aan Van Tienhoven, Waalwijk 16 april 1929:<br><br> 'Overigens ga ik niet alleen met uw schrijven accoord, ik wil zelfs de eerste zijn u voor te stellen voortaan geene onkosten meer in rekening te brengen; wanneer mij tenminste geen speciale opdrachten meer gegeven worden. Ik meen, wij in een prettige samenwerking in een korten tijd heel wat tot stand gebracht hebben, waarop wij altijd met voldoening kunnen terugzien.' <br><br> Van Tienhoven aan Mombers, Amsterdam 19 april 1929:<br><br> 'Wij kunnen niet voldoende waardeeren, dat wij in U zulk een ijverig correspondent hebben gevonden.' <br><br> Mombers aan Van Tienhoven, Waalwijk 24 juni 1929:<br><br> 'Verder wensch ik eene betere regeling wat de onkostenvergoeding betreft. Ik zou mijn actief zijn bepalen op 1 April - 1 September en de onkostenvergoeding daarmee gelijken tred laten houden. Deze vergoeding is tot nog toe miniem, men is dit per dag gerekend al kwijt voordat men dikwijls nog een heisprietje gezien heeft. De behaalde resultaten wijzen uit dat er hard gewerkt is. Men moet dit niet interpreteeren alsof ik mij beklaag, helemaal niet, maar ik sta in dit opzicht op één lijn met een verkiezingsagent: die kan met een mooi praatje alleen ook niet veel stemmen winnen, daar hoort nog wat bij. Om vrienden van de vereeniging te winnen en een koop te sluiten moet men zich een beetje joviaal kunnen bewegen, en niet met afgepast reisgeld van huis gaan. Kunt u zich met mijne zienswijze vereenigen of zijt u eene andere meening toegedaan, laat mij dit s.v.p. bij gelegenheid eens weten. Het is mij persoonlijk allemaal goed.' <br><br> Natuurmonumenten ging overstag en keerde voortaan per zes maanden een vergoeding van ¬ 200,- uit. Wanneer er weer een periode verstreken was verzuimde Mombers niet daar op te wijzen: 'U zult wel begrijpen dat ik dag in dag uit allerlei uitgaven te doen heb om de gewenschte resultaten voor de vereeniging te bereiken.' En: 'Mag ik u herinneren dat 1 Oct. verschenen is.' <br> Zijn bezoeken aan de eigenaren legde hij meestal te voet af. 'Gisteren v. Laak bezocht en zijn ook ter plaatse in de duinen geweest, 'n heele tippel vanuit Berkel op en neer (...).' Over een andere aankoop: 'Ik stap nu eens vlug op naar Udenhout. (...) dan neem ik den korsten weg, dat is dwars door de hei, bosschen. Maar gesteld eens, we komen de politie tegen, we zijn buiten de wegen en voetpaden, dus strafbaar volgens de bordjes, ik kan geen enkel bewijs toonen dat ik dat wél mag. Is het voor de goede orde van zaken niet beter dat ik mij kan legitimeeren.' Mombers kreeg daarop een bewijs dat hij zich in Noord-Brabant op alle bezittingen van de Vereniging buiten de wegen en paden mocht bevinden. Soms klopte hij aan een gesloten deur en was de tocht tevergeefs: 'Men was er hooien.' Andere hindernissen waren de weersomstandigheden en het gebrek aan actuele en geschikte kadastrale kaarten, eigendomspapieren en dergelijke.<br><br> Mombers aan Van Tienhoven, Waalwijk 14 oktober 1929:<br><br> 'Ik ben al een paar jaar met de duinen bezig en tot dusverre heb ik daarvoor van uw kantoor nog geen enkele inlichting ontvangen om mij in deze moeilijke taak wat ter zijde te staan. Ik heb geen kaart, weet geen nummers, grootte of juiste adressen van eigenaars wanneer deze niet in mijn omgeving wonen en hoe staat het met de reiskosten, want ik ben van plan om al die klanten persoonlijk te gaan bezoeken. Schrijven haalt niets uit. Gewoonlijk krijgt men geen antwoord, ofwel dit wordt doorgestuurd aan iemand ter plaatse, die meestal uit eigenbelang de zaak afraadt.' <br><br> Mombers aan Van Tienhoven, Waalwijk 19 november 1929:<br><br> 'Dit komt omdat al die perceelen in de Drun. duinen nog uit meerdere nummers bestaan die ten noorden daarvan in de hei doorloopen en zoodoende geven de eigenaars aan hunnen eigendom een andere benaming. Ik begrijp niet dat u mij geen kad kaart stuurt, want wie kan daar nu nuttiger werk mee doen dan ik.'<br><br> Mombers aan Van Tienhoven, Waalwijk 29 november 1929:<br><br> 'Daar die drunensche menschen bij mijn eerste bezoek geen bezwaar maakte hunne perceelen te verkoopen heb ik er nog al werk van gemaakt. Daar ze evenwel ver uiteen wonen en het koud weer was, heb ik 14 dagen geleden eerst de koorts in mijn tanden gekregen, daarna heb ik een flinke schorheid in de keel opgedaan, zoo dat ik bijna niet meer spreken kon. Het is te hopen Jan Pijnenburg zich zachtjesaan in die zaken inwerkt, die heeft tijds genoeg.' <br><br> Mombers aan Van Tienhoven, Waalwijk 28 december 1929:<br><br> 'Het komt mij voor u geen kad. kaart hebt van de perc. ten noorden der drun. duinen, omrede ik op mijne vragen hieromtrent niets ontving.<br> Het spreekt van zelf, dat wanneer er in uw archief gegevens zijn, waarmee ik mijn nut kan doen, deze papieren even het stof van hun veren moeten schudden en hun veilige bewaarplaats even moeten verlaten. Het is nu het oogenblik.'<br><br> In deze wintermaanden was Mombers druk in de weer met het aankopen van enclaves om tot een afgerond bezit te komen ten noorden van de duinen. 'Vandaag 6 Jan. [1930] ben ik den geheelen dag in de Drun. duinen geweest en wil u alvorens een stukje te eten eerst den uitslag mededeelen, die belangrijk is. (...) ik heb de zaken conscientieus gedaan en er van af den 2den Kerstdag met al dat stormweer dag aan dag geweest. (...) Zooals u ziet worden de belangen naar best vermogen behartigd en me dunkt de zaken aardig opschieten, u kunt tevreden zijn.' Natuurmonumenten wás tevreden. 'U hebt zich wel ijverig geweerd met het maken van kaarten, die een denkbeeld geven van den toestand ten Noorden van de Drunensche duinen. (...) Wij weten hoe U Uw uiterste best doet om de ontbrekende perceelen zoo billijk mogelijk aan te koopen en het bezit van die enclaves is voor ons haast een levenskwestie. (...) Natuurlijk moet onze boschwachter U behulpzaam zijn; het is waarschijnlijk ten overvloede, doch wij zullen hem schrijven, dat hij te Uwen dienste moet staan.' Het grootste probleem was om te bepalen welke percelen voor een goede afronding noodzakelijk waren. Mombers: 'M.i. is dit niet de grens a/d oude bossche baan, dat zou een onbegonnen werk zijn; maar wel de grens te volgen waar de woeste terreinen beginnen (...). Een vaste regel is er evenwel niet voor te geven, daar men natuurlijk naar gelang de omstandigheden moet handelen.'<br><br> Een aankoop met haken en ogen was het perceel van mejuffrouw Frijlinck, een lerares uit Amsterdam, dat deels bestond uit bossen en deels uit duingebied. Mombers bezocht het samen met (mede-eigenaar) Van der Meulen en diens twee zonen uit Den Haag. Hij wilde wel verkopen, maar een klein deel ervan reserveren (behouden) als familiebezit, een voorwaarde waar Natuurmonumenten zich niet mee kon verenigen. Na het bezoek bracht Mombers verslag uit: 'De beide zoons, studenten van 15 à 20 jaar, waren zeer enthousiast over hun bezit en terecht. Zij voelden wel degelijk hun duinbezit in andere handen overging. Zoo zeiden zij b.v. Nu springen we nog eens voor de laatste maal van onzen berg. (...) De heer v.d. Meulen, een zeer verstandig man, zal het goed recht daarvan inzien en zijne voorwaarde wel willen intrekken.' Maar Van der Meulen bleef bij zijn eis en schreef Van Tienhoven: 'Met zeer veel genoegen maakten wij (mijn beide zoons en ik) kennis met den Heer Frans Mombers uit Waalwijk; op oudejaarsdag bezochten we met schitterend weer de Drunensche Duinen (...). Hoe gaarne wij dus ook de Vereeniging en ook U persoonlijk ter wille zouden zijn, blijven wij, in dezen toch gaarne vasthouden aan de door ons voorgestelde grensscheiding.' De zaak werd nog eens extra bemoeilijkt door het verschil tussen de eigendomsverhoudingen op papier en de feitelijke toestand in het veld. <br><br> Mombers aan Drijver, Waalwijk 24 januari 1930:<br><br> 'Gisteren ben ik met Verhoeven en Pijnenburg in de drunensche duinen geweest. Hoewel wij den geheelen dag gewerkt hebben, kan ik u wat het perceel Frijlinck betreft geen juist resultaat melden. Dit komt hierdoor dat de kad. gegevens niet overeenstemmen met den plaatselijken toestand. Morgen zal ik nog eens naar Drunen gaan en met den secretaris spreken. De moeilijkheid ligt hierin, dat de noord en zuidgrens ter plaatse niet te zien is. (...) Het komt mij voor dat de noordelijke perceelen 300 Meter in het zand dus in de duinen liggen. Bij kad. overschrijving zouden deze ± 300 meter dus voor de vereeniging verloren gaan. Ik meen ook dat de heer Le Mire vroeger kocht zoover het zand strekt. Wat wordt daarvan in de acte Le Mire vermeld en welke zijn de nummers die Le Mire ook ten noorden van uw kaart heeft overgedragen.'<br><br> Mombers aan Van Tienhoven, Waalwijk 28 januari 1930:<br><br> 'Zoodra de noodzakelijke onderhandelingen zijn afgewerkt, zal ik perceel voor perceel de zaak tot klaarheid trachten te brengen wat betreft de enclaves ofwel "inspringende gedeelten in de duinen en U daar op een gekleurde kaart een juist overzicht van geven.' <br><br> Inmiddels had Natuurmonumenten al een beroep gedaan op de directeur van Staatsbosbeheer in Zeist.<br><br> Natuurmonumenten aan J.H. Jager Gerlings, Amsterdam 11 juli 1929<br><br> 'Van den heer Perk zult U reeds vernomen hebben, dat wij de hulp van het Staatsboschbeheer zouden wenschen in te roepen voor een uiterste gewichtige aangelegenheid, waarin wij vooral Uw medewerking zouden waardeeren. Het betreft ons natuurmonument te Udenhout - Loon op Zand - Waalwijk gelegen. (...)<br> U begrijpt, dat het voor ons van bijzonder gewicht is een goede kaart te bezitten en nu komt mijn vraag, zou het Staatsboschbeheer ons aan zulk een kaart kunnen helpen, waarop de juiste omgrenzingen en de kadastrale perceelen zijn aangegeven. (...)<br> Omdat de heer Perk mij zeide, dat hij met augustus met vacantie gaat, zou het misschien zaak zijn om wat spoedig te handelen. Ik behoef U niet te zeggen dat deze hulp van het Staatsboschbeheer ons bijzonder welkom zal zijn en bij voorbaat dank ik U voor Uw welwillende medewerking.'<br><br> Staatsbosbeheer zegde toe te zullen zorgdragen voor het vervaardigen van een nieuwe kaart van de Loonse en Drunense Duinen. Deze vorm van technische hulp moest wel worden vergoed. Naast de reis- en verblijfkosten voor de terreinbezoeken was de Vereniging ’ 4 per dag verschuldigd voor het tekenwerk. Toen de kaart klaar was werd deze vermenigvuldigd en kreeg Mombers tot zijn genoegen een exemplaar: 'Wat hebben wij toch een gemak van die fameuze kaart v/h Staatsboschbeheer.' In de bestuursvergadering werd gemeld dat men bij de aankoop van de bezitting van Le Mire veel gemak had ondervonden 'van de prachtige kaart, die ons is verschaft door het Staatsboschbeheer'. <br><br> Soms was er een extraatje als beloning. Mombers: 'Met de post heb ik v/d Vereen. een pakje ontvangen, waarin twee eenden. Op dezen tijd v/h jaar is dit een fraai geschenk, waarvoor ik u dank zeg.' Maar meestal was het een boek, bijvoorbeeld Het Vogeljaar van Thijsse of een jaarboek van de Vereniging. Een geschenk dat aanleiding gaf tot een briefwisseling was het boekwerkje Verrummelung der Natur. Na lezing zond Mombers het terug, waarop Van Tienhoven hem naar de reden daarvan vroeg. 'Is het uit ergernis over de inhoud dat U het terugzend, is het uit te waardeeren opruimingsgevoel of om andere reden? U zijt toch niet gefroisseerd om "Keizer" genoemd te worden van een der schoonste deelen van ons vaderland?' Mombers antwoordde met een uitvoerige en kritische recensie om aan te tonen dat het wat hem betreft allesbehalve een 'verheffend leesboek' was, zoals Van Tienhoven het had aangeprezen.<br><br> Van Tienhoven aan Mombers, Amsterdam 17 september 1930: <br><br> 'Inderdaad, gij zijt een werker! Uw schrijven van 16 September deed mij genoegen en geeft blijk van een gegronde studie die gij gemaakt hebt over de Verrummelung der Natur.<br> Uw schrijven geeft mij tevens de zekerheid, dat ik de terugzending van het boekje niet moest beschouwen als gevolg van eenige geprikkeldheid Uwerzijds. Ik kan mij begrijpen, dat al die illustraties van de grove liefhebberijen van het tegenwoordige menschelijke geslacht U moesten ergeren en zooals in de Bijbel staat "wat U ergert, werpt dat van U". Ik wilde, dat ik deze stelregel ook tot de mijne mocht maken in vele gevallen, die ter behandeling van ons kantoor komen en ons onaangenaam stemmen. Daar staat echter tegenover het succes, dat door onze Vereeniging wordt bereikt en waartoe U, in Brabant althans, zooveel hebt bijgedragen, want zonder U zou het grootsche duinreservaat in Uw omgeving niet tot stand zijn gebracht. Ik hoop dan ook, dat wij tezamen hand aan hand en schouder aan schouder nog veel ten goede zullen kunnen uitrichten. <br> Dit vluchtige woord moge genoeg zijn om U de zekerheid te geven, dat wij met sympathie aan Uw medewerking denken en aan de vriendelijke wijze, waarop U ons steeds ter wille wilt zijn.'<br><br> Mombers aan Van Tienhoven, Waalwijk 18 september 1930:<br><br> 'Bij het classeeren der laatst ontvangen brieven, heb ik nog iets vergeten. Over uwe vergelijkingen en bijnamen heb ik mij niet wrevelig getoond, ook weet ik niet welk begrip u aan het woord keizer geeft. Ik ben mij niet anders bewust, dan in mijn omgang bescheiden en zonder eenige pretentie te zijn. Ik meen nu, door weliswaar een steentje aan het groote werk te hebben bijgedragen, maar dit in allen eenvoud. Zeer zeker stellen wij er een eer in, de heeren uit Amsterdam zoo gastvrij mogelijk in ons huis te ontvangen, maar toch met geen zweem van ceremonieel. Uit uwe brieven spreekt een gewone vriendschap en waardering, dat is best, maar hoe nu een verklaring te geven voor uwe ironische betitelingen, ik weet het werkelijk niet.' <br><br> Van Tienhoven aan Mombers, Amsterdam 19 september 1930:<br><br> 'Ik dacht dat de zaak uit de wereld was, doch Uw vriendelijk schrijven van 18 September noopt mij tot een klein wederwoord, want eerlijk gezegd, sta ik wat verbijsterd over de opmerking, naar aanleiding van de betiteling van "de Keizer", waaraan U eenige aanstoot neemt. Niets is verder van mij geweest, dan met dit woord een ironische opmerking te maken, doch ik herinner mij, dat het een grapje was, toen u U zelf Keizer van de Sahara doopte en ik het woord Sahara in Loonsche Duinen veranderde. Zoek er toch niets achter, want wij kennen elkander genoeg om te weten de waardeering, die wij voor elkander koesteren. Het woord keizer heeft hoegenaamd niets geen beteekenis, doch was een grapje, tezamen gemaakt op een prettige bijeenkomst in ons natuurmonument.<br> Ik hoop, dat gij thans al Uw bezwaren ter zijde zult zetten en uit onze correspondentie niets anders zult opmaken dan een gevoel van vriendschap en waardeering, die reeds van zoovele jaren dagteekent.' <br><br> Een dergelijk incident deed geen afbreuk aan de relatie tussen Van Tienhoven en Mombers, die zowel zakelijk als in de persoonlijke sfeer goed was; beiden hadden veel waardering voor elkaars onvermoeibare inspanningen voor de totstandbrenging van het natuurpark Loonse en Drunense Duinen. Toch bleef er een afstand tussen beiden bestaan en groeide er niet echt een vriendschap. Het bleef de 'Hooggeachte Heer' of 'Zeer Geachte Heer' en nooit zou het 'Amice' worden. <br><br> Bron: archief Natuurmonumenten (Stadsarchief Amsterdam), tenzij anders vermeld.</p> <p><a href="index.html">Home</a></p> <!-- Start of StatCounter Code --> <script type="text/javascript"> var sc_project=6138950; var sc_invisible=1; var sc_security="901353c3"; </script> <script type="text/javascript" src="http://www.statcounter.com/counter/counter.js"></script><noscript><div class="statcounter"><a title="godaddy hit counter" href="http://www.statcounter.com/godaddy_website_tonight/" target="_blank"><img class="statcounter" src="http://c.statcounter.com/6138950/0/901353c3/1/" alt="godaddy hit counter" ></a></div></noscript> <!-- End of StatCounter Code --> </body> </html>