Aankoop Loonse en Drunense Duinen door Natuurmonumenten

Aflevering 14. Zorgen over het Mombersbos

Jan van Iersel

Om de een of andere reden besloot Frans Mombers in de zomer van 1937 toch maar niet te verhuizen naar Udenhout om van daaruit zijn activiteiten als aankoper voor de Vereniging te hervatten. Een vol jaar verstreek alvorens hij weer van zich liet horen en zijn hernieuwd voornemen om verder naar het noorden - naarTurnhout - te verhuizen, kenbaar maakte.

Mombers aan Van Tienhoven, Parijs 17 mei 1938:

'Geachte Heer en Vriend,

Na een periode van droogte en schrale oostenwind moeten vandaag met den weldoende meiregen bosch en hei wel herademen. Zoo als u weet liggen dezelfde principes ten grondslag bij het beheer van mijn bezittingen onder L.o.Z. Ik zou dit iets scherper willen omlijnen door aan den minister van economische zaken een aanvrage te doen mijn landgoed aan te merken in den zin der Natuurschoonwet. Wees zoo goed mij daaromtrent in te lichten door een brochure te zenden der Natuurschoonwet 1928, door mij een formulier te zenden voor de aanvrage aan den minister ofwel voor mij een brief op te stellen met de gebruikelijke termen desbetreffend.
Daar ik geen boschwachter heb, sluit ik echter den toegang voor het publiek af. Voor degene die er in de omgeving wonen en mij bekend, kunnen houtsprokkelen, heb daar niets tegen; maar deze maatregelen zijn tegen voorkoming van vernieling der plantage, verstooring van vogelnesten, enz. Den houtopstand verkoopen doe ik niet, maar er is in geen zes jaar gedund (de tijd gaat snel). Er is een aantal bosschen van 15-18 jaar, waarvoor dit noodig is. Daar alles volgens mijn aanwijzing in cultuur gebracht is, geef ik ook geen order daarin zonder mijn aanwezigheid te hakken. Verleden jaar wilde ik reeds ter plaatse komen. Mijn reis is onderbroken, doordat ik 3 maanden in Rijssel en 3 maanden in Brussel gebleven ben. Nu zal ik begin Juni naar Turnhout gaan, dat is al aardig in de richting.
Ik meen een landgoed ook onder de bescherming uwer Vereeniging kan gesteld worden, welke zijn de voorwaarden? Wat de verzekering tegen brandschade betreft, zoo was vroeger de premie hooger moesten daarbij ook alle bosschen daaronder begrepen worden. Ik meen dit een onderlinge brandverzekeringsmij was te Arnhem. Kunt u mij opgeven tegen welke voorwaarden de bosschen tegenwoordig verzekerd kunnen worden.
Ik stel het verder goed en het zal mij aangenaam zijn goede tijding uwerzijds te vernemen. Is er iets waarmee ik u van dienst kan zijn, steeds bereid.
Vriendschappelijke groeten. Hoogachtend,
Frans Mombers

Eenige foto's van mijn bezit terugzending verzocht.'
[De vijf bijgevoegde foto's zijn hieronder in de tekst ingevoegd met vermelding van wat op de achterkant staat geschreven.]

foto bospad
Van Tienhoven moest naar Engeland en liet de beantwoording van Mombers' brief over aan Drijver, die uiteenzette hoe een aanvraag te doen om terreinen onder te brengen onder de Natuurschoonwet 1928. Een ontwerpbrief voegde hij bij. De inzending diende te geschieden bij de Ministers van Financiën en Economische Zaken. Hij wees erop dat de belastingfaciliteiten minder aantrekkelijk waren bij niet voor het publiek toegankelijk terreinen, zoals dat van Mombers.
Voor de verzekering tegen brandgevaar verwees hij naar de Nederlandsche Heidemaatschappij, die de vroegere taak van de Onderlinge Bosschenverzekeringmaatschappij had overgenomen.
Voorts voegde Drijver een exemplaar bij van de Boschwet, waarin de Natuurschoonwet was opgenomen.
Als antwoord op zijn andere vraag kreeg Mombers kortaf te horen dat het helaas niet mogelijk was om zijn landgoed onder bescherming van de Vereniging te stellen.

Was het omdat dit antwoord Mombers teleurstelde of was er anderszins een kink in de kabel gekomen? Hoe dan ook, de verhuizing in juni 1938 ging niet door. Pas twee jaar later, kort voor het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog, arriveerde een brief uit Brussel bij de Vereniging.

Mombers aan Van Tienhoven, Brussel 8 april 1940:

'Geachte Heer,

Na een lange rustpauze is er weer wat actie in de omgeving van mijn Loonsch bezit gekomen. Vanwege het overlijden van Mevr. E. [Eenhuis] zijn hare goederen in diverse gemeenten verkocht. De perceelen die binnen de grenzen [van] de Efteling lagen, zijn door mij aangekocht. Hiermede worden mijne gronden afgerond met honderd hectaren. Het zal mij verder aangenaam zijn met u van gedachten te wisselen over een bizonder geval van natuurscherming. Wanneer men bij café Vugts Efteling den zandweg ingaat dan komt u bij een Burgerwoning. Met dat huis heb ik niets dan last ondervonden, zoodat ik het thans leeg laat staan. Veertig jaar geleden stonden langs dien weg negen gebouwen, thans nog twee. Wanneer men terplaatse dat huis weg denkt, dan blijft er als gebouw niets over dan mijn oude hoeve, die met zijn laag bruinrietendak zich met de omgeving volkomen aanpast. In de natuur is alles volmaakt in lijn, kleur en vorm, vandaar het doel der Vereeniging voor het Behoud zorg te dragen; maar ten anderen kan ernaar gestreefd worden te verwijderen of te herstellen, wat daarin door menschenwerk geschonden is. Z'oon huis breekt juist de harmonie der lijnen; het landschap wordt vulgaire. Door het te verwijderen wordt het oorspronkelijke karakter van dat land hersteld van eeuwen terug.
Het huis werd verhuurd voor ƒ 2. per week, het is te waardeeren op ƒ 800. Ik stel voor ieder een offertje te brengen en de helft daarbij te dragen. Bij instemming zal ik het bij inschrijving voor afbraak laten verkoopen. Is men van meening, dat de bouwmaterialen kunnen gebruikt worden ter reparatie voor uwe bestaande gebouwen, dan kunt u het laten afbreken met fondamenten en al. In dit geval schenk ik u het huis zonder den grond. Het zal dan geen rendez-vous meer worden van vogelvangers, bezembinders enz. Mijn bezitting die met een lengte van 1800 meter aan de uwe grenst, is als 't ware eene verlenging daarvan. De rust en de veiligheid bij een goede buur is een indirect belang der vereeniging te meer daar het beheer geschiedt volgens de zelfde beginselen.
Ontvang mijne vriendelijke groeten Hoogachtend
Frans Mombers

Op aanvrage zal ik den sleutel bij café Vugts laten brengen.'

foto pad bij brand mast en berk
Bij de brief zat een los inlegvel, ongedateerd en zonder aanhef:

'Ik heb vernomen de Wit zijne perceelen zal verkoopen. Hierbij een kaartje waarbij de ligging is aangegeven. Het was beter te trachten deze uit de hand te koopen, dan wel de publicatie af te wachten. Wil ik eerst laten informeeren welken prijs hij vraagt. Wellicht zou bij openbaren verkoop vermeldt worden, "gelegen aan weerzijden van den prov. weg met een breedte van 50 meter nabij het dorp, zeer geschikt voor bouwterrein. Bij versnippering voor bouwterreinen zou het vooreerst moeilijk worden het geheel te koopen en daarbij duur.'

Natuurmonumenten schreef boswachter Peijnenburg dat zij na lange tijd weer eens bericht had gekregen van Frans Mombers en vroeg zijn oordeel over diens brief. 'Wij nemen aan dat de terreinen van wijlen Mevrouw Eenhuis in de Efteling aan de Westzijde van den provincialen weg liggen en dus voor ons van weinig belang zijn.' En meebetalen aan het slopen van een huis op andermans grond zag de Vereniging al helemaal niet zitten. De meeste belangstelling trok de boodschap over de percelen van De Wit. Eshuis ging er speciaal voor naar Loon op Zand en maakte het volgende bezoeksverslag:

'Allereerst de terreintjes bezocht genoemd in den brief van Mombers, welke gelegen zijn ter weerszijden van den provincialen weg. Het zijn twee smalle strooken, waaruit reeds jaren zand wordt gegraven; zij zijn zeker 3 M. diep uitgegraven en nog steeds wordt hier zand gehaald. Volgens P. [Peijnenburg] is een klein gedeelte van dit terrein nog in handen van derden en dit stuk is niet uitgegraven. Het lijkt ons uitgesloten, dat iemand deze gaten voor bouwterrein zou bestemmen. De kosten van gelijkmaking zouden veel te hoog worden.
Mocht het perceel aan onzen kant van den weg in publieke veiling komen, dan zullen wij dit waarschijnlijk voor een gering bedrag kunnen koopen. Met P. gesproken over de voorgestelde regeling omtrent het leegstaande huis op het terrein van Mombers; ook hij is van meening, dat de Vereeniging bij zulk een regeling absoluut geen belang heeft en slechts meebetalende zou zijn.'

Van Tienhoven aan Mombers, Amsterdam 6 mei 1940:

'Zeer Geachte Heer Mombers,

Uw brief van 8 April vraagt nog steeds om beantwoording. Na langen tijd hebt U het stilzwijgen verbroken en wij hebben Uw mededeelingen met belangstelling gelezen. Een onzer, die kortgeleden de bezittingen der Vereeniging onder Loon op Zand c.a. bezocht heeft zich omtrent het door U in Uw schrijven vermelde ter plaatse op de hoogte gesteld en wij kunnen U hieromtrent het volgende mededeelen. Wij kunnen Uw voorstelling onderschrijven, dat de minder mooie burgerwoning aan den door U bedoelden zandweg inderdaad het landschap niet verfraait en afbreken van dit huis zou zeker aan de omgeving ten goede komen. Tot onze spijt kunnen wij echter hierin geen aanleiding vinden een gedeelte van de daaraan verbonden kosten voor rekening onzer Vereeniging te nemen. De eventueele afbraak zelve kunnen wij ook niet gebruiken en wij kunnen derhalve geen vrijheid vinden om op financieele wijze aan het doen verdwijnen van deze woning mede te werken.
Ook de perceelen van de Wit hebben wij in oogenschouw genomen, hoewel wij den toestand ter plaatse ons ook van Amsterdam uit goed konden voorstellen. Wij hebben echter over een eventueelen voorgenomen verkoop niets vernomen en het komt ons twijfelachtig voor dat deze terreinen in publieke veiling belangstelling zouden hebben voor bouwexploitanten e.d. Beide stukken zijn immers drie meter en meer uitgegraven; het zou onmogelijk zijn deze weder aan te plempen, tenzij tegen zeer hooge kosten. Ook voor agrarische doeleinden zijn ze niet geschikt en wij kunnen ons niet voorstellen dat voor deze perceelen liefhebbers zijn. Het kan o.i. intusschen geen kwaad, indien U eens op voorzichtige wijze zoudt informeeren voor welk bedrag de Wit zijn eigendom zou willen verkoopen. De prijs zal echter zeer laag moeten zijn om eenige aantrekkelijkheid voor de Vereeniging te hebben.
Met vriendelijke groeten,
Hoogachtend,
Uw dw.'

foto bij Kraanven
Toen brak de oorlog uit. Op vrijdag 10 mei werden in de namiddag terugtrekkende Nederlandse troepen tussen Loon op Zand en Kaatsheuvel vanuit de lucht beschoten, waarbij de terreinen van zowel Natuurmonumenten als Mombers schade opliepen. De grootste schade werd aangericht op de terreinen van laatstgenoemde aan de westzijde van de weg, vooral doordat er brand uitbrak die een groot complex bos vernielde. Namens de Vereniging diende Peijnenburg een 'Opgave van Oorlogsschade' in bij de gemeente Loon op Zand, de eerste stap van wat een jarenlange lijdensweg door een bureaucratische doolhof zou worden. Een vijftigtal bommen had zonder brand te veroorzaken bijna twee hectare bos vernietigd, zo verklaarde hij. De schade inclusief herbebossing werd geraamd op f 1250,-. Het duurde tot 15 juni alvorens vanuit Amsterdam een 'Tocht naar Loonsche Duinen, Kampina en Oisterwijk' kon worden gemaakt '(...) over Waalwijk naar L.O.Z. Langs den prov. weg hebben vliegmachines danig huisgehouden: 50 treffers op ons terrein. Des avonds naar Kampina (...).'

In het najaar 1940 werd dan toch een publieke verkoping aangekondigd van de ten oosten en ten westen van de provinciale weg gelegen percelen bos en heide van De Wit. Peijnenburg kreeg opdracht om samen met boswachter Van de Ham uit Oisterwijk of met Van Iersel de waarde van grond en opstallen te taxeren. Ook moest Peijnenburg naar een geschikt iemand zoeken die namens de Vereniging bij de verkoping zou willen optreden. De Vereniging wilde met dit laatste voorkomen dat de aandacht teveel op haar gericht werd. Peijnenburg noemde het ten oosten van de weg gelegen perceel, sectie B nr. 5119, groot 1.18.70 ha, 'vrijwel een waardeloos perceel', waar al jarenlang zand was afgegraven tot een diepte van 1½ à 2 meter, een 'lelijk afgegraven zandkuil' die in de winter een waterplas vormde. 'Dit is het zelfde perceel waarover den Heer Frans Mombers indertijd eens heeft geschreven om samen dit perceel uit de hand te koopen. Mijnheer Eshuis heeft toen ook dit perceel met mij in oogenschouw genomen en was toen ook van meening dat dit perceel voor ons van geen belang was.' Uit Amsterdam kreeg de boswachter als antwoord dat het inderdaad een als waardeloos te beschouwen perceel was, maar dat men aan de andere kant nooit kon weten wat er gebeurt als het in andere handen zou komen. Natuurlijk dacht men er niet aan hiervoor een groot bedrag uit te geven, doch mocht er totaal geen liefhebberij voor zijn en het voor een appel en een ei gegund mocht worden, dan lag de zaak natuurlijk anders. Op 11 oktober schreef Peijnenburg dat het perceel aan de overkant van de weg was ingezet op ƒ 700,- en dat er veel belangstelling voor was. Op 17 oktober zou het ook in massa worden gebracht, samen met het perceel aan de westkant. De percelen in massa zouden nog wel eens een zeer hoge prijs kunnen opbrengen, zo verwachtte Peijnenburg, waarop de Vereniging hem machtigde om het perceel 'aan onze zijde van de weg', voor ƒ 100,- te kopen, zodat zij altijd gedekt was als er in de toekomst iets mee mocht gebeuren, hetgeen men toch nooit kon weten. 'Het is natuurlijk niet onze bedoeling het perceel aan den overkant van den weg aan te kopen, vooral nu U schrijft, dat dit hoog is ingezet.' Op 18 oktober deelde Peijnenburg mee dat de massa van de percelen ten westen van de weg ad 1.32.90 ha en ten oosten ad 1.18.70 ha aangekocht was door Mombers uit Waalwijk.

foto pad over grote heide
Mombers aan Natuurmonumenten, Brussel 14 juni 1941:

'Geachte Heeren,

Het zal u wellicht genoegen doen van mij nog eenig levensteeken te ontvangen. Ik stel het naar omstandigheden redelijk wel, ofschoon zoo als overal ook hier schraalhans keukenmeester is. Wat de heizaken aangaat, ik heb indertijd bericht ontvangen een gedeelte der mastbosschen verbrand zijn. Het laatste bericht is, dat tengevolge van dien ramp er eenige wanorde in die streek gekomen is en er veel hout gestolen wordt en verder dat wegens uitbreiding der fabriek mijn neef niet meer het beheer goederen L.o.Z. bij kan brengen. Voor de administratie wei en bouwland ± 25 h.a. is dit goed geregeld en kan dit zijn normaal verloop hebben, maar de andere 75 h.a. waaronder ongeveer nog 15 h.a. mastbosschen die ongeschonden zijn, wordt dit bezwaarlijk. Het zou jammer zijn wanneer z'oon bezit van 75 h.a. bij gebrek aan leiding en toezicht verloren zou gaan. Ik veroorloof mij dus U beleefd te vragen deze bedreigde bezitting te beschermen en mij bijstand te verleenen. Het zou wenschelijk zijn een verzoek aan uw Bestuur gedaan werd aan den Burgemeester van L.o.Z. om in kwaliteit als hoofd der politie een einde te maken aan die houtdiefstallen en vernieling der bosschen aan weerszijden van den prov. weg. Wanneer dit van u uitgaat als personen van gezag, wier doel en streven juist is de bescherming der natuur, is er kans de orde in korten tijd hersteld wordt. Met het een en ander is mijn arbeid vanaf 1911 grootendeels verloren. Mag ik van u vernemen hoe het staat met een eventueele schadevergoeding der verbrande perceelen. Laat u die omploegen voor bouwland of worden deze weer opgeplant ofwel wacht u totdat de commissie de schade heeft opgenomen? Volgens bijgaand uitknipsel ziet u dezer dagen een soortgelijken eigendom even voorbij Goirle langs den weg verkocht is. Dit was den inzet zonder de mast, den houtopstand wordt nadien apart verkocht. Ik zou daaruit afleiden de hei zijne waarde nog steeds behouden heeft. Ik wil hierbij nog een beleefd verzoek tot u richten om mij in te lichten of het op den weg der Vereeniging ligt, een heidebezit dat aan het uwe grenst zoodanig onder uwe bescherming te nemen dat het met een pacht gelijk staat, onder omstandigheden zooals onder Loon, dat het met vernietiging bedreigd wordt.
Met voorbaat dank zeggend voor uwe tusschenkomst ontvang mijne vriendelijke groeten.
Hoogachtend
FransMombers'

Van Tienhoven aan Mombers, Amsterdam [?] juni 1941:

'Zeer geachte heer Mombers,

Het verheugde ons bij Uw schrijven van 14 Juni jl. eenig levensteeken van U te vernemen. Wij zien, dat U thans te Brussel gedomicilieerd zijt en wij kunnen ons voorstellen, dat Uw gedachten dikwijls uitgaan naar Uw bezittingen onder Loon op Zand.
Deze hebben inderdaad eenigszins van de oorlogshandelingen geleden. Aan allen, die in dit opzicht schade hebben ondervonden, werd destijds door het gemeentebestuur een formulier toegezonden ter invulling, hetgeen ook bij U wel het geval zal zijn. Of het aanbeveling verdient nog verder af te wachten alvorens maatregelen tot herbebossching te nemen, hangt van persoonlijke opvattingen af. Wij nemen aan, dat de schade reeds opgenomen zal zijn en thans afgewacht kan worden welk bedrag door de desbetreffende commissie zal worden toegekend.
Gedurende een korten tijd werd er vrij veel hout gestolen in de omgeving van Loon op Zand, doch dit hoort reeds lang tot het verleden. Thans nog aan den burgemeester hierover te schrijven heeft o.i. weinig zin.
Uw vraag omtrent het pachten van een heibezit door onze Vereeniging is ons niet duidelijk. Welk heideterrein hebt U hierbij op het oog? Over het algemeen treedt onze Vereeniging niet als pachtster op om een terrein te behouden, want U zult het met ons eens zijn, dat, tenzij zeer bijzondere bepalingen worden gesteld, een verpachting weinig waarborg voor het behoud biedt. Heideterreinen, welke dikwijls meer aan belastingen kosten dan zij opbrengen, werden meermalen aan onze Vereeniging door de eigenaren geschonken, indien zij op ongerepte instandhouding prijsstelden. Misschien wilt U ons bij gelegenheid nog eens met een enkel woord omtrent Uw bedoeling inlichten.
Met vriendelijke groeten,
Hoogachtend,
Uw dw.'

Dit antwoord van Natuurmonumenten op zijn smeekbede om hulp moet Frans Mombers ongetwijfeld zeer teleurgesteld hebben. Dat de houtdiefstallen 'reeds lang tot het verleden' behoorden, was bezijden de waarheid. Bosbezitters zouden tot het einde van de oorlog op steeds grotere schaal met diefstal te maken krijgen. (Meer hierover in 'Jan Peijnenburg, boswachter in oorlogstijd', Straet & Vaert 2009.) Het betekende het einde van de briefwisseling tussen Van Tienhoven en Mombers en daarmee van hun ruim vijftienjarige samenwerking met als gezamenlijk doel de totstandbrenging van het nationaal park Loonse en Drunense Duinen.

foto pad over grote heide
Naast bedreigingen en aantastingen van het 'Mombersbos' door militair optreden, bosbranden en houtdiefstallen op grote schaal, zag Mombers zich geconfronteerd met illegale zandafgravingen, vooral op het reeds genoemde perceel sectie B nr. 5119 aan de oostzijde van de provinciale weg. Toen de gemeente met het plan kwam om een zwembad te maken bij de ijsbaan, verwees Natuurmonumenten naar dit perceel, de zogenaamde 'kuil van Mombers', dat meer geschikt zou zijn voor een zwembad, mede omdat het al belangrijk uitgediept was.
Maar, het moet gezegd, ook Natuurmonumenten had zo z'n zorgen. Op 19 juli 1941 bezochten de medewerkers Eshuis en Gorter de Loonse en Drunense Duinen. Op hun verkenningsronde zagen zij dat de kwekerij op Westloon er slecht bij stond. Nogal wat larix en douglas was door de droogte dood gegaan. 'Onderweg zien wij dat de kuil van Mombers, die wij aanraadden als zwembad in te richten, gecultiveerd wordt. Peijnenburg meent voor bouwland! (...) Door de duinen teruggeloopen. Peijnenburg wijst erop dat deze steeds meer begroeid raken met berk en vliegden. Hij wijst een groote oppervlakte aan die in 1931 nog stuifzand was, waarvan mr. van Tienhoven enkele foto's maakte. Dit terrein is thans volkomen bosch en tientallen hectaren groot. Van hier af zou eigenlijk in de toekomst alle boschvorming moeten worden tegengegaan daar anders over een halve eeuw waarschijnlijk het geheele karakter van de Loonsche Duinen verdwenen zou zijn. Wij moeten hier een soort van "demarcatielijn" maken.'

Bron: archief Natuurmonumenten (Stadsarchief Amsterdam).

Home