Van Oude Bosschebaan naar Bosscheweg

Jan van Iersel

Inleiding

Vorig jaar herdacht Tilburg dat het tweehonderd jaar geleden door koning Lodewijk Napoleon stadsrechten was verleend. In datzelfde jaar 1809 viel het besluit om de weg Breda-Den Bosch te bestraten. Het tracé liep echter niet door de nieuwe stad Tilburg, maar door de dorpen Dongen en Loon op Zand. Daarmee werd de route aangehouden van de eeuwenoude heerbaan, een nagenoeg rechte en simpelweg kortste verbinding tussen de oude Brabantse steden Breda en Den Bosch. In een tijd van goederenvervoer met paard en wagen was dat een voor de hand liggende keuze, immers elke meter telt. Bovendien was in de Franse tijd rechtlijnigheid, het maken van korte en kaarsrechte verbindingen, het ideaal, vooral vanwege de militaire functie van deze ‘Napoleonswegen’: de troepen moesten snel en relatief makkelijk verplaatst kunnen worden. De Tilburgse fabrikanten en bestuurders kwamen aanvankelijk niet in verzet tegen het feit dat de straatweg hun stad op een afstand van tien kilometer zou gaan passeren. Wel klaagden zij over de slechte verkeerssituatie bij Loon op Zand, waar de weg dwars door de rulle Loonse duinen liep. Voor het handelsverkeer met de Waalwijkse haven vormde dit een groot obstakel. Aan de klacht werd tegemoetgekomen door de toezegging dat Tilburg en Waalwijk via ‘zijwegen’ in Loon op Zand een aansluiting zouden krijgen op de nieuwe straatweg.
Een jaar later moest koning Lodewijk Napoleon het veld ruimen. Zijn broer Napoleon nam zelf de touwtjes in handen en lijfde ons land in bij het Franse keizerrijk. Het wegenplan verdween daarmee niet van tafel, integendeel. Napoleon gaf direct opdracht tot onderzoek naar de beste route voor de oostwaartse aftakking van Breda over Loon op Zand naar Den Bosch en Nijmegen. Er is veldwerk gedaan door Franse ingenieurs. Kaarten die zich bevinden in de Collectie Hingman in het Nationaal Archief te Den Haag getuigen hiervan.
Het keizerlijk decreet van 16 december 1811 schreef de aanleg voor van een grote weg Parijs-Amsterdam, die bij Breda aftakte naar Dongen, Loon op Zand, Den Bosch en Grave. De val van het Franse rijk in 1813 verhinderde een voortvarende uitvoering. De nieuwe regering van koning Willem I, die overtuigd was van het belang van een goed wegennet, nam het Napoleontische plan onmiddellijk over. De koning stelde een lijst vast van ‘Groote wegen’ die de Staat zou aanleggen, waaronder een weg van Breda naar Delfzijl over Dongen, Loon op Zand, Distelberg (bij Cromvoirt) en Den Bosch. Toch zou het nog vijftien jaar duren voordat deze er zou komen, niet over Dongen en Loon op Zand, maar over Tilburg. De lange voorbereidingstijd had, behalve met geldgebrek, te maken met de strijd tussen gemeenten, provincie en rijksoverheid over de te kiezen ‘richting’: de rechte weg over Loon op Zand of een omweg over de industriestad in opkomst Tilburg? Opmerkelijk is de rol achter de schermen van statengriffier F.X. Verheijen bij het verzet van Dongen, Loon op Zand, Waalwijk en andere Langstraatse gemeenten tegen aanleg over Tilburg.


Kaarten van rond 1810 van bestaande wegen en de geplande straatweg van Breda over Dongen en Loon op Zand of over Tilburg naar Den Bosch, te vinden in de Collectie Hingman in het Nationaal Archief in Den Haag. Ondanks de slechte kwaliteit (het zijn scans van microfiches) is er voor aandachtige speurneuzen veel op te zien, zoals de plaatsen waar langs de bestaande heerbaan een 'handwijzer' stond, wegen en paden door de Loonse en Drunense Duinen en meer interessante zaken.
Zo valt bijvoorbeeld de herberg het Wapen van Diest (Cabaret les arme de Diest) te ontdekken (genoemd in mijn artikel 'De heerbaan Breda -'s-Hertogenbosch. Hoe Loon op Zand een vergeefse strijd voerde tegen het zand' in Straet & Vaert 2006.
Let op: het zijn grote bestanden!

Kaart Hingman inv.nr. 1339 en 1340

Kaart Hingman inv.nr. 1333 en 1339


Een straatweg door de ‘onmetelijke heiden’ van Noord-Brabant

Tweehonderd jaar geleden liep er in Midden-Brabant nog geen enkele verharde weg. Tal van auteurs verhalen op beeldende wijze over hun wederwaardigheden bij het reizen door deze streek. De staatsman G.K. Van Hogendorp, in de zomer van 1818 op weg naar Aken, noteerde in zijn reisverslag: ‘Te Gorcum ben ik de Maas overgevaren; door Gorcum naar Heusden gereden, van daar over Drunen en Loon op ’t Zand naar Tilburg, waar ik een paar dagen vertoefd heb, en vervolgens hier [Den Bosch] ben aangekomen. De weg langs de Maas, tot Heusden, loopt door een goed land, waar de vruchtboomen zeer schoon stonden. Van Heusden verheft zich het land, en de weide maakt plaats voor granen en hoog geboomte. Het onderscheid tusschen goed en slecht land heb ik nergens zoo treffend gevonden als hier. De heide gelijkt eene woestijn, welke het hart toeschroeit; maar eensklaps volgt de vruchtbaarste grond, met groote en welvarende dorpen. Te Loon op ’t Zand raakte ik in gesprek met een bejaarde vrouw, die een lief kind op den arm droeg. Uit zich zelve verzocht zij den postillon mij langs eenen aangenamen weg, die zij hem beschreef, naar Tilburg te rijden. Hij nam het gaarne aan, keerde den hoek van de herberg om, en eensklaps bevond ik mij in het schoone bosch van het kasteel, hetwelk daar als betooverd stond. (…) Ik heb de wegen allerslechtst gevonden, en al de sporen gevuld met regenwater. Eenige plaatsen, zoo als Waalwijk, hebben eene vaart naar de Maas en bloeijen ongemeen door dezelve. Doch meestal is er geene vaart, en slechte wegen. Buiten de vaart van de Maas, dienen de straatwegen op Luik en Maastricht tot allerlei vervoer, en in dit jaar wordt een andere straatweg gelegd van Breda tot hier over op Grave.’
Niet alleen deze toevallige passant trof hier slechte wegen aan, het was ook secretaris van staat (minister) Röell bekend dat in Brabant de verbindingen slecht waren. Bij de voorbereiding van een reglement voor het Brabantse plattelandsbestuur (de steden kregen een eigen reglement) was een van de discussiepunten of de provincie verdeeld moest worden in districten met aan het hoofd een districtsschout, die tussen het provinciebestuur en de gemeentebesturen stond. Röell was tegen zo’n tussenambtenaar, maar in Noord-Brabant kon hij er vanwege de bijzondere omstandigheden in deze provincie wel mee instemmen: de verspreide ligging van de dorpen met hun geringe bevolking, de moeilijke communicatie door het gebrek aan bevaarbare rivieren, kanalen, postwagens en postkantoren, verslechterd door ‘onmetelijke heiden’. Deze achtergebleven staat van Brabant heeft ten grondslag gelegen aan de invoering van districten ten behoeve van een betere communicatie tussen provinciebestuur en gemeentebesturen (en om een beter toezicht op de gemeentebesturen mogelijk te maken).

Een straatweg van Tholen naar Grave dwars door de provincie was dan ook van groot belang voor de economische ontwikkeling en elk plaatselijk bestuur zag die weg graag door zijn stad of dorp lopen. Al in 1817 zou de weg over de gehele lengte klaar moeten zijn. Onverwijld moesten ‘kundige en geschikte’ ambtenaren een plan maken voor de te kiezen richting, die zoveel mogelijk ‘in regte linie’ moest zijn. Hoofdingenieur Goekoop schreef de minister dat het meest rechte tracé over Dongen en Loon op Zand voerde, maar dat de stad Tilburg met meer dan 10.000 inwoners en vele lakenfabrieken recht op die weg had, ook al was dat nagenoeg ‘een uur gaans’ langer. De meerkosten zouden wel meevallen, want in Tilburg en Oisterwijk (de weg was door dat dorp gepland) waren gedeelten al bestraat. Het probleem was dat daarmee werd afgeweken van het koninklijk besluit van 25 juli 1816 en dat kon natuurlijk niet zomaar. De minister verlangde nader onderzoek. Wat was het nut van aanleg door Tilburg in plaats van door Dongen en Loon op Zand? Hij wond er geen doekjes om dat hij het zelf bedenkelijk vond om de weg over Tilburg aan te leggen en daarmee met een uur gaans te verlengen. Hij was voorstander van een ‘embranchement’ (zijlijn) tussen Tilburg en de grote weg, zodat die de rechte linie zou kunnen volgen.
Inmiddels was over de zaak in Tilburg enige ‘inquiëtude’ (ongerustheid) ontstaan. Het gemeentebestuur smeekte zijne majesteit ‘om door een enkel woord’ aan alle twijfels een eind te maken. Door de omvangrijke Tilburgse industrie en handel was een weg over die stad ook in het belang van de provincie én van het hele rijk, dus in het algemeen belang. De Tilburgse smeekbede kreeg bijval van Oisterwijk, Hilvarenbeek, Moergestel en Haaren. Met tussenkomst van ‘agent solliciteur’ Theijssens wezen zij Zijne Majesteit erop dat hun economie en landbouw een onherstelbare slag zou worden toegebracht, wanneer de weg niet over Tilburg en Oisterwijk zou worden aangelegd. De gouverneur zat er als commissaris (en dienaar) van de koning mee in zijn maag en wist niet anders te doen dan ook de burgemeesters van Dongen en Loon op Zand te verzoeken om hun belangen nader uiteen te zetten.

Bijval voor koning Willem I uit de Langstraat

Op het verzoek van de gouverneur reageerde de burgemeester van Dongen als eerste. De weg over zijn ‘notabele’ gemeente met veel leder- en schoenindustrie zou maar de helft kosten van een weg over Tilburg en zeker twee twee uur gaans korter zijn. De weg zou grotendeels door ‘inculte zandgronden’ lopen die van weinig waarde waren en daardoor goedkoop aan te kopen en de aanvoer van stenen zou weinig kosten vanwege de nabijheid van diverse binnenhavens. Ook burgemeester Tijsmans van Loon op Zand benadrukte dat de weg niet voordeliger en korter dan over Dongen en Loon op Zand kon worden aangelegd. Al tijdens het Franse bewind was uit onderzoek gebleken dat deze richting het meest geschikt was. Tijsmans plaatste vervolgens het vraagstuk in een breder kader: een weg over Loon op Zand zou bij Oosterhout kunnen aansluiten op de bestaande grote weg nr. 1; reizigers vanuit de noordelijke provincies richting Den Bosch zouden dan bij Oosterhout rechtstreeks naar hun bestemming kunnen reizen, zonder eerst de omweg over Breda en Tilburg te hoeven maken. Tenslotte verzuimde hij niet om het belang van zijn gemeente te beklemtonen: een belangrijke plaats van 3.800 zielen, waaronder er zijn die belangrijke handel drijven ‘in koopmanswaaren & winkelgoederen, in leder, en gemaakt schoenmakers werk, etc.’ Opvallend is dat de burgemeester aan het verzoek van de gouverneur heeft voldaan zonder ruggespraak met de gemeenteraad, althans afgaande op de ‘Notulen, Aantekeningen en Deliberatiën van het Plaatselijk Bestuur der Gemeente Loon-op-Zand, aanvangende met den 12e Maart des Jaars 1814’ is er in de raadsvergaderingen van 1817 met geen woord over gerept, maar des te meer over de kwestie van de begraafplaats te Kaatsheuvel. Een groep van meer dan tweehonderd ingezetenen van de parochie Kaatsheuvel, aangevoerd door pastoor Huijgens, vice-burgemeester Couwenberg en andere notabelen, richtten smeekbeden aan het provinciebestuur om een kerkhof bij hun eigen dorpskerk zodat ze hun doden niet meer in Loon op Zand hoefden te gaan begraven. Door het hardnekkig verzet van het gemeentebestuur duurde het meer dan een jaar voordat het college van Gedeputeerde Staten hun vasthoudendheid beloonde; zij kregen toestemming een kerkhof aan te leggen bij hun kerk in Kaatsheuvel, maar werden wel verplicht de Loonse koster te compenseren voor het verlies van zijn inkomsten.

Waar Tilburg als stad - in tegenstelling tot de dorpen - het voordeel had van eigen afgevaardigden in Provinciale Staten, hadden Loon op Zand en zijn medestanders in de Langstraat de steun van jonkheer mr. F.X. Verheijen, griffier van de Statenvergadering, die veel invloed had binnen de Bossche bestuurlijke elite, waartoe ook zijn halfbroer A.G. Verheijen als burgemeester van Den Bosch behoorde. Als rentmeesters in dienst van de prins Van Salm-Salm, heer van de heerlijkheid Loon op Zand, was het Loonse kasteel het buitenverblijf van de Verheijens. De griffier, die met zijn gezin in Den Bosch woonde, verbleef er gedurende de zomermaanden.
Dat zijn invloed binnen het provinciehuis groot was, mag blijken uit de benoeming van een veldwachter te Loon op Zand, waar de burgemeester van een ambtenaar van het gouvernement het verzoek kreeg om een bepaald persoon voor deze post aan de gouverneur voor te dragen, daaraan toevoegend ‘twijfele niet (…) den Heere Griffier Verheijen (…) die zal wel zorgen dat hij dadelijk worde aangesteld’. Een duidelijke aanwijzing voor zijn bemoeienissen achter de schermen in de kwestie van de straatweg is Verheijens brief van 22 maart 1817, waarin hij burgemeester Tijsmans van Loon op Zand advies geeft en - alleszins bruikbare - argumenten influistert vóór een tracekeuze over Loon op Zand, een nogal opmerkelijke brief omdat het provinciebestuur - mét Rijkswaterstaat - voorstander was van aanleg over Tilburg. Ongetwijfeld zal hij deze brief buiten medeweten van de gouverneur hebben geschreven.

Vriend Tijsmans!
Ik ben geïnformeerd dat Oisterwijk, Hilvarenbeek en andere gemeentes zich per rekweste aan den Koning hebben geadresseerd ten einde de steenweg langs Tilburg moge worden gelegd. Niet alleen de burgemeesters van Loon op Zand en Dongen, maar ook de burgemeesters van de Langstraat behoorden zich tot Z.M. te wenden met het verzoek dat de steenweg langs Loon op Zand kome. Ik zoude u dus aanraden, om met die van Dongen ten spoedigste een rekwest direct aan den Koning te presenteren. Zegt aan den burgemeester van Dongen, dat hij toch tracht te bewerken, dat de burgemeesters van de Langstraat zich ook aan Z.M. wenden. ’s Winters moeten immers de rijtuigen van Holland over de Langstraat komende, over Loon op Zand rijden. [Vanwege wateroverlast bij Baardwijk.] De voornaamste argumenten van die van Tilburg zijn notoir, het belang hunner fabrieken, het logeren van troepen bij doormarsch. Er zou dus moeten worden melding gemaakt, dat wanneer er een arm of embranchement van Tilburg op Loon op Zand wierd gelegd, hetgeen geen een uur distantie uitmaakt, de correspondentie zoo met de Zuidelijke als Noordelijke provincien, even gemakkelijk voor de fabrikanten zoude zijn, te meer nog, daar men tegenwoordig de goederen niet langs ’s Bosch, maar langs Loon op Zand of Dongen naar de Noordelijke provincien vervoert. Dat wat aangaat de doormarsch van troepen, de kortheid der distantie niet alleen aanraadt om de steenweg langs Loon op Zand en Dongen te brengen, maar dat bovendien de distantie van ’s Bosch naar Dongen slechts ruim vier uren zal zijn, wanneer de weg linea recta wordt gelegd, alwaar zoo wel als te Loon troepen kunnen worden gelogeerd.
Indien men niet alle zeilen bijzet, en ook niet u consideratie geeft, dat men met eenen arm van Tilburg tot aan den weg deszelfs fabrieken het zelfde nut toebrengt, dan vrees ik, dat men niet zal slagen. Dit à gouverno – in vertrouwen. Dat gy met den burgemeester van Dongen ook zoo veel mogelyk die van de Langstraat zult doen medewerken, tekene ik my in vliegende haast,
Uwer dienaar
F.X. V.


Tijsmans haastte zich om een vergadering te beleggen van ‘de Heeren Burgemeesteren van de Langstraat’. Het resultaat was dat - in navolging van Tilburg, Oisterwijk, enzovoorts - naast Loon op Zand en Dongen nu ook Waalwijk en andere Langstraatse gemeenten Z.M. bestookten met verzoekschriften. Daarin werden de reeds eerder door Loon op Zand en Dongen naar voren gebrachte argumenten nog eens breed uitgemeten, zonder daar iets nieuws aan toe te voegen. Wel werd het betoog van de griffier gevolgd en er meer de nadruk op gelegd dat een weg over Loon op Zand de verbinding tussen de provinciehoofdstad Den Bosch en de noordelijke provincies aanmerkelijk zou verkorten. Het ‘ongemak’ voor Tilburg was door een zijtak te verhelpen. Bovendien vervoerden de Tilburgse fabrieken altijd al meer over Dongen, Capelle en Waalwijk, dan over Den Bosch. Waalwijk wees op het belang van haar haven en een betere bereikbaarheid; vooral in de winter was die plaats, evenals de naburige Langstraatse dorpen, door het water en de slechte wegen geheel en al onbereikbaar. Wanneer de weg over Tilburg zou komen, op een afstand van ruim drie uur gelegen, zou het voor een groot deel met het bestaan van de ingezetenen ‘gedaan’ zijn. Dit voorbeeld laat zien dat de Langstraatse gemeenten enige overdrijving niet schuwden.

Binnen een maand had de minister een dozijn rekesten van de Midden-Brabantse gemeenten op tafel liggen, plus een adviesrapport van de hoogste ambtenaar van Waterstaat en Publieke Werken, inspecteur-generaal Blanken, die het geheel eens was met het advies van hoofdingenieur Goekoop. In alle opzichten was het verkieslijk de weg over Tilburg te leggen; een weg over Loon op Zand met een zijtak naar Tilburg zou altijd veel meer kosten. Gouverneur Hultman pleitte eveneens vóór Tilburg en voegde daar tot zijn genoegen aan toe dat dat ook de ‘de eenparige opinie’ was van Gedeputeerde Staten. En tenslotte deelde Goekoop mee dat uitgebreider onderzoek hem niet van mening had doen veranderen. De weg moest de economische belangen van de ‘voorname fabrieksstad’ Tilburg dienen en was daarmee tegelijkertijd in het belang van Den Bosch en Breda én in het algemeen belang. Vervolgens haalde hij de argumenten van de voorstanders van een weg over Loon op Zand onderuit. Hun vergissingen in de afstanden en de soms ‘absurde’ motieven deden hem verzuchten ‘dat ik met zeer veel verwondering ontwaar hoe dat de hoofden der gemeentebesturen van Dongen, Sprang, Loon op Zand, Waalwijk, Waspik, Cappelle en ’s Gravenmoer kunnen besluiten om Zijne Majesteit den Koning in hunne betrekking te willen misleiden’. Daar was geen woord Frans bij!

Niet Westloon of Loon op Zand, maar Tilburg

De lezer zou tot de conclusie kunnen komen dat het voor de minister nu wel erg makkelijk werd om de koning van advies te dienen, doch dat zou voorbarig zijn. De Langstraatse rekesten hadden hem op het idee gebracht van een meer noordelijke oostwestverbinding. Nieuw onderzoek wees uit dat dit geen aantrekkelijk alternatief was. Voor een straatweg door de laaggelegen terreinen van de Langstraat zou het tracé belangrijk moeten worden opgehoogd en er zouden twee grote bruggen nodig zijn. Ondanks de kortere afstand zouden de meerkosten ƒ 100.000 bedragen en bovendien zou dit alternatief duurder in onderhoud zijn.
Eind maart 1818 was het dan eindelijk zover: de minister adviseerde Z.M. ten gunste van Tilburg. Veel tijd was verstreken en van aanleg in 1817 was niets terecht gekomen. Amper een week later gaf koning Willem I groen licht voor de aanleg van de straatweg Tholen-Grave, maar dat gold niet voor het gedeelte Breda-Den Bosch! Als schooljongens kregen Goekoop en zijn ingenieurs opdracht hun huiswerk nogmaals over te doen; zij kregen een zevental vragen ter beantwoording voorgelegd, een schoolvoorbeeld van het dominante optreden van de vorst. De vragen kwamen er in hoofdzaak op neer dat hij de precieze lengte, kosten en voor- en nadelen moest aangeven van drie alternatieven:
1) de meest rechte weg, bestaande uit twee varianten:
- over Westloon, destijds een gehucht ten noorden van Loon op Zand, of
- door het dorp Loon op Zand;
2) de (om)weg over Tilburg;
3) de reeds verharde grote weg van Breda naar Gorinchem tot aan Oosterhout en vandaar in een rechte lijn oostwaarts door Giersbergen en Cromvoirt naar Den Bosch.
Dit laatste was een variant op de richting die de burgemeester van Loon op Zand - met gebruikmaking van een persoonlijke raadgeving van griffier Verheijen - in een rekest aan Z.M. had aanbevolen. Het verschil was dat deze variant een half uur ten noorden van het dorp Loon op Zand zou lopen, dat er dus minder belang bij zou hebben. Waalwijk en andere Langstraatse plaatsen, waaronder het tot de gemeente Loon op Zand behorende dorp Kaatsheuvel, daarentegen des te meer.

Het kostte Rijkswaterstaat een paar maanden om te berekenen dat aanleg over Tilburg, hoewel vier tot vijf kilometer langer, amper duurder zou zijn, namelijk ongeveer
f 800.000. Bij aanleg over Westloon of Loon op Zand zou daar maar liefst ƒ 200.000 bij komen voor de zijtak naar Tilburg. Bovendien zou in dat geval de weg ‘oneindig’ meer onderhoud vergen vanwege de hoge zandduinen die daar een ‘woestijn’ vormden, zodat het alleen al om die reden niet raadzaam was daar een straatweg aan te leggen. Het derde alternatief, over Oosterhout, zou deels door lagere terreinen lopen en bij hoge waterstanden veel te lijden hebben en daardoor eveneens meer onderhoud vragen dan over Tilburg. Naast minder onderhoud waren ook nog eens aanzienlijk hogere tolopbrengsten te verwachten van een weg over Tilburg, zodat die economisch gezien verre de voorkeur had en uit oogpunt van militaire, commerciële en provinciale belangen het ‘verkieslijkste’ alternatief was.
De minister liet er een andere hoge ambtenaar, inspecteur-generaal Goudriaan, naar kijken. Ook die vond het alternatief over Tilburg verreweg de beste keuze. Geen voerman uit Tilburg zou gebruik maken van de zijtak naar Westloon of Loon op Zand om vandaar door te reizen naar Den Bosch of Breda, wat een omweg zou zijn van vijf tot zeven kilometer. Hooguit zou er ’s winters gebruik van gemaakt worden, wanneer de onverharde wegen in slechte staat waren.

Een glashelder advies waar de minister mee naar de koning kon, maar een besluit bleef vooralsnog uit. Er ontbrak nog wat: een financiële regeling. De provincie, die zich tot dan toe op het standpunt had gesteld dat deze ‘grote communicatie’ door het Rijk zou worden bekostigd, zegde de minister als blijk van haar ‘welwillendheid’ een bijdrage van ƒ 84.000 toe. Het einde van het jaar 1818 naderde en er zouden nog jaren van touwtrekken volgen voordat de koning definitief instemde met aanleg over Tilburg.

De Brabantse bijdrage aan de straatweg

Ondanks bidden en smeken van het Tilburgse stadsbestuur en tot groot verdriet van de provincie Noord-Brabant kwam de aanleg van de oostwestverbinding niet van de grond. De geldnood van de koning was een belangrijke reden. In de zomer van 1820 stak de minister dan eindelijk zijn nek uit. Hij deelde de koning mee dat Tilburg gewoon recht had op die weg, immers elk ander tracé was in strijd met het doel van de ‘groote Communicatien’, namelijk ‘de gemeenschap met de Steden onderling, en vooral met de fabrijk Steden, zoo veel doenlijk te faciliteren’. Hij stelde voor het aanbod van de provincie aan te nemen en de bijdrage van Tilburg vast te stellen op
ƒ 30.000. Verder zou het billijk zijn dat ook andere aan de weg gelegen plaatsen zouden bijdragen.
Het besluit van de koning liet slechts een paar dagen op zich wachten:
- de weg zou alleen over Tilburg lopen indien die stad ƒ 30.000 zou bijdragen;
- de overige door de aanleg bevoordeelde Brabantse steden en gemeenten moesten een ‘gelijke bijdrage in evenredigheid van het belang’ leveren;
- de provincie Noord-Brabant moest ƒ 84.000 bijdragen en een lening verstrekken voor het onderhoud van de weg.
Op 18 december 1820 bracht de minister aan de koning rapport uit over zijn overleg met de provincie. Er was ƒ 264.000 aangeboden: de provincie zelf ƒ 84.000, de andere steden en plaatsen ƒ 50.000, Tilburg ƒ 30.000 plus een door de provincie te verstrekken geldlening ad ƒ 100.000. Afgezet tegen de aanlegkosten, die tussen Breda en Den Bosch op ƒ 860.000 werden geraamd, was dit een ongekend hoge bijdrage. Toch stemde de koning er pas driekwart jaar later, op 15 september 1821, mee in. Naast Tilburg moesten vijfentwintig andere aan de geprojecteerde weg gelegen steden en gemeenten flink in de buidel tasten. Den Bosch met ƒ 14.000 voorop, dan Breda en Bergen op Zoom met ƒ 5.500 respectievelijk ƒ 3.500. Een hele reeks kleinere gemeenten werd evenmin ontzien, zoals bijvoorbeeld Oisterwijk, dat, terwijl het toch op enige afstand van de straatweg lag, ƒ 1.000 moest ophoesten. Voor Dongen, Loon op Zand, Waalwijk en andere Langstraatse gemeenten was het een schrale troost dat ze de portemonnee dicht konden houden.

Nawoord

Het gedeelte tussen Breda en Den Bosch van de nieuwe oostwestverbinding kwam in 1827 gereed en zou van groot belang worden voor de opkomende Tilburgse textielindustrie. Toch nam de straatweg de behoefte van de Tilburgse industrie aan een goede wegverbinding met de meest dichtbij gelegen haven, die van Waalwijk, niet weg. Die behoefte was wederzijds, zoals in een verzoekschrift van het gemeentebestuur van Waalwijk aan de koning werd toegelicht. De voorheen welvarende handelsplaats was door allerlei omstandigheden, waaronder de slechte bereikbaarheid en de grote stadsbrand in 1824, in ‘jammerlijke toestand’ geraakt. Gevreesd werd dat de ingebruikname van de nieuwe straatweg Breda-Tilburg-Den Bosch tot verdere achteruitgang zou gaan leiden. Daarom werd verzocht om van rijkswege een straatweg naar Tilburg aan te leggen. Beide steden zouden nog twintig jaar geduld moeten hebben alvorens hun wens in vervulling ging. In 1939 besloten Provinciale Staten een interlokaal wegennet aan te leggen. In 1846 kwam de weg van Tilburg over Loon op Zand naar Waalwijk gereed, een weg die door koning Lodewijk Napoleon al in het vooruitzicht was gesteld.
Dat Tilburg in 1821 na de ongelijke strijd met Loon op Zand en andere Langstraatse gemeenten de straatweg had binnengehaald, wilde niet zeggen dat de stad op zijn lauweren kon gaan rusten en in de toekomst automatisch verzekerd zou zijn van nieuwe infrastructurele voorzieningen, zoals aansluiting op het spoorwegennet. In dezelfde jaren dat de straatweg naar Waalwijk werd aangelegd, vonden bestuurlijke discussies plaats over een spoorlijn door Midden-Brabant die te vergelijken waren met wat zich had afgespeeld in de jaren 1815-1821. Wéér speelde de vraag of het traject tussen Breda en Den Bosch over Loon op Zand of over Tilburg moest komen. Militaire machthebbers zagen de lijn liever over Loon op Zand. Ook de stad Den Bosch was daar voorstander van. Gouverneur Borret voorzag naijver tussen de Brabantse steden.

Dit artikel is met meer illustraties en bronvermeldingen gepubliceerd in Straet & Vaert 2010

Home