Overigens ben ik van mening dat in het openbaar bestuur 'de beste mensen voor de klus' nodig zijn
Lidmaatschap van een politieke partij en ervaring als lid van een gemeenteraad, provinciale staten of de Tweede Kamer maken iemand nog niet geschikt voor een functie in het openbaar bestuur. Terecht stelt Jan Markerink dat voor zulke functies 'de beste mensen voor de klus' nodig zijn, ongeacht hun politieke kleur (Volkskrant 15 februari 2012).
Jan Markerink (37) was een van Rotterdams grote politieke talenten, maar verloor al gauw zijn vertrouwen in de politiek en keerde ontgoocheld terug naar het bedrijfsleven. Hij verwijt de oude kaders van zijn partij behoudzucht. Bang om nieuwe dingen te doen. 'Een partij die steeds weer kiest voor oude systemen. Terwijl er een iPad klaarligt, zit de PvdA nog aan de knoppen van een oude transistorradio te draaien.' Een praktijkvoorbeeld: 'In alle denkbare sectoren stellen we eisen aan werknemers. Of het nu de cassière is bij Albert Heijn of de putjesschepper: je moet voor elke functie competenties hebben. Behalve voor een politiek-bestuurlijke functie. Dan volstaat het dat je lid bent van een coalitiepartij en tijd kunt vrijmaken om het werk te doen. Je krijgt zo niet altijd de beste mensen voor de klus. Het is dan ook logisch dat veel burgers hun vertrouwen in de politiek zijn kwijtgeraakt. Ik heb mij in de PvdA sterk gemaakt voor het benoemen van de beste mensen, ongeacht hun politieke kleur. Dat was on-be-spreek-baar!'
Home
Overigens ben ik mét Job van Leur van mening dat een westers superioriteitsgevoel misplaatst is
De Nederlandse geleerde Jacob Cornelius (Job) van Leur (1908-1942) was bezeten van een idee. Hij wilde een waardevrije wereldgeschiedenis schrijven. Maar de tijd van leven was hem niet gegund om dit levensdoel te vervullen. Toen hij als drieëndertigjarige het leven liet bij de Japanse invasie van Nederlands-Indië, stond zijn bouwwerk nog in de grondverf.
In de vooroorlogse crisisjaren was Van Leur student in Leiden en daarna ambtenaar in Nederlands-Indië. In hart en nieren was hij echter de geschiedenis toegedaan. In plaats van een door de overheid bekostigde opleiding tot Indisch ambtenaar, had hij veel liever geschiedenis gestudeerd, maar dat was gezien de financiële draagkracht van zijn ouders onmogelijk. Wellicht door zijn eenvoudige afkomst was hij diep begaan met het armoedig bestaan waartoe de talloze werklozen tijdens het interbellum veroordeeld waren. Naar zijn stellige overtuiging was de moderne westerse kapitalistische economie de hoofdschuldige aan dit mensonwaardig lot. Perioden van betrekkelijke welvaart zouden telkens weer gevolgd worden door tijden van nieuwe armoede en werkloosheid. De dragende ideologie van dit kapitalisme, het liberalisme, vond in Van Meurs ogen evenmin genade. Die bracht een vergaand individualisme met zich mee en een niets ontziende concurrentie. Deze wereld had voor Van Meurs niets aantrekkelijks en kon moeilijk aan de rest van de wereld als ideaal worden gepresenteerd. Zeker niet met de recente herinnering aan de Eerste Wereldoorlog, die het einde had ingeluid van de overtuiging dat het Westen de rest van de wereld geheel overtrof en in alles voorbeeld moest zijn. In zijn ogen was een westers superioriteitsgevoel dan ook misplaatst. Mede met op de achtergrond de hernieuwde oorlogsdreiging in Europa gold dat temeer voor ons werelddeel.
In zijn proefschrift bestudeerde Van Leur de geschiedenis van de oude Aziatische handel, die al had gefloreerd vóór de opkomst van de Verenigde Oost-Indische Compagnie. In zijn visie was de historische wereld van Azië, indien zij niet werd bezien met koloniale vooroordelen, een gelijkwaardig deel van de geschiedenis van de mensheid. Van Leur geldt als een van de founding fathers van de Indocentrische geschiedopvatting. Voor het opnieuw bestuderen van de geschiedenis van gekoloniseerde volkeren is Van Leurs werk van grote betekenis geweest.
(Bron: Jaap Vogel, 'Macrogeschiedenis. Modellen van elders', in: Jo Tollebeek, Tom Verschaffel & Leonard H.M. Wessels (red.), De palimpsest. Geschiedschrijving in de Nederlanden 1500-2000 (Hilversum 2002) 221-232.
Home
Overigens ben ik van mening dat de Zilvervloot-spaarregeling had moeten blijven
Dag in dag uit gaat het in het nieuws over de kredietcrisis. Hoe kon het zover komen dat zelfs landen hun schulden niet meer kunnen betalen? Zou het te maken hebben met onze consumptiemaatschappij waarin sparen - een appeltje voor de dorst - iets voor de dommen is? 'Leef nu en betaal later.'
Mijn ouders hebben mij vroeger gestimuleerd om te sparen door een Zilvervloot-rekening bij de Rijkspostspaarbank op het postkantoor voor mij te openen; deze jeugdspaarregeling met 10% overheidspremie is in 1992 afgeschaft - de overheid moest bezuinigen. Door te sparen kon je een huis kopen, immers 10% van de koopsom moest je zelf op tafel leggen, waarna je de hypotheekschuld in 30 jaar moest aflossen. Op de fiscale renteaftrek van hypotheken werd niet bezuinigd, integendeel, tophypotheken werden mogelijk en zelfs aflossingsvrije hypotheken. De volledige rente levenslang fiscaal aftrekbaar! Kortom, niet meer sparen maar schulden maken werd de boodschap van de overheid. Diezelfde overheid gaf ook nog eens het verkeerde voorbeeld door zelf enorme schulden te maken die onze kinderen mogen aflossen, al moet gezegd worden dat Nederland er niet zo slecht voor staat als bijvoorbeeld Griekenland, om van de Verenigde Staten maar helemaal niet te spreken: 14.300.000.000.000 dollar. Toch valt het goedbeschouwd niet uit te leggen dat ons land na meer dan een halve eeuw zonder oorlog en inmiddels een enorme aardgasbel rijker nog steeds een hoge staatsschuld heeft van 378.000.000.000 euro (stand per 1 augustus 2011). Langzaam maar zeker rijpt echter het besef dat het zo niet verder kan met onze westerse schuldenmaatschappij. En zo niet, dan keert vroeg of laat de wal het schip.
Home
Overigens ben ik van mening dat het plan van staatssecretaris Zijlstra om het monumentenbeleid te vereenvoudigen niet goed doordacht is
Door vereenvoudiging van de regeling ter bescherming van monumenten zal de monumenteneigenaar nóg meer zijn gang kunnen gaan. Voor kleinere ingrepen, zoals schrootjeswanden en moderne aanbouwels verwijderen, is straks geen vergunning meer nodig. De kans bestaat echter dat ook waardevolle historische muurschilderingen en marmeren schouwen in de container zullen gaan verdwijnen.
Koos de Looff in Opinie & Debat, NRC Handelsblad, 30 januari 2011: 'In de afgelopen anderhalf jaar, de periode waarin ik voorzitter ben van de Stichting Bouwhistorie Nederland, heb ik mij oprecht verbaasd. Verbaasd over een ministerie dat geen enkele kennis heeft van de praktijk. Ik heb verschillende keren contact gehad met de verantwoordelijken voor monumenten. Mij viel een aantal zaken op: de verkokering bij de rijksbeleidsmakers is groot; de kennis van de daadwerkelijke praktijk bij hen is klein; het traject dat nu in uitvoering is wordt door hen als een zelfstandige missie ervaren.
Materiedeskundigen op alle niveaus hebben een voor Europese begrippen unieke manier van samenwerken tussen eigenaren, deskundigen en toezichthouders in de afgelopen periode ingericht. Bij gewoon onderhoud en aanpassingen van niet-monumentale waarden wordt de eigenaar met kennis bijgestaan en krijgt gewoon verlof (niks vergunning of wat dan ook) voor het onderhoud of verwijderen van de eeuwig aangehaalde schrootjeswand. Laagdrempelig en kosteloos dus. (...)
Zouden monumenteneigenaren precies weten wat ze bezitten en wat ze willen? Zolang op Marktplaats enorme hoeveelheden aan schouwombouwen, binnendeuren, Delftse tegels etc. worden aangeboden, behoud ik me het recht voor om daar sterk aan te twijfelen.'
Helaas zijn er ook gemeenten waar een belangrijke overheidstaak als monumentenzorg niet hoog scoort op de prioriteitenlijst, zoals Loon op Zand, dat nog niet zo lang geleden de monumentencommissie wilde afschaffen. Herhaaldelijk hebben burgers in uiteenlopende bewoordingen hun bezorgdheid geuit over het gemeentelijk monumentenbeleid en gepleit voor een monumentenlijst - onder meer Kees Grootswagers, Jos Kerkhof, Jan Toorians, Lauran Toorians en Jan Vera - om monumentale gebouwen, klokgevels, waardevolle ornamenten aan voorgevels, etc. voor het nageslacht te behouden. Ik sluit me bij hen aan door te pleiten voor een zorgvuldige inventarisatie van gebouwen die in het verleden dienst hebben gedaan als leder- of schoenfabriek en te onderzoeken welke daarvan in aanmerking komen voor de status van gemeentelijk monument. Het kan toch niet zo zijn dat in Loon op Zand met zijn voorheen kenmerkende monocultuur van leder- en schoenindustrie daar over enkele generaties bij wijze van spreken niemand meer iets over weet te vertellen en dat niets in het straatbeeld aan dat verleden herinnert. Om die herinnering aan dat bijzondere industriële verleden levend te houden is een geschikte bestemming voor zo'n fabrieksmonument van groot belang. Ik draag alvast een serieuze kandidaat-huurder voor, die daar een belangrijke bijdrage aan kan leveren: de heemkundekring Loon op 't Sandt.
Home
Overigens ben ik van mening dat Jos de Blok gelijk heeft dat door kleinschalig georganiseerde buurtzorg miljarden bespaard kunnen worden (www.gezondeverstand.nl)
Niet grote topzware bureaucratische instellingen, maar kleine zelfstandige teams van hoog opgeleide vakmensen houden de zorg betaalbaar. Een wijkverpleegkundige moet zelfstandig kunnen functioneren. Hij of zij biedt zorg van A tot Z, doet de intake bij een patiënt thuis, vraagt de indicatie aan, doet de persoonlijke verzorging, de wondverzorging, en alle andere verpleegkundige handelingen. Dit is een geheel andere werkwijze dan bij traditionele thuiszorginstellingen waar de aanmelding, de indicatiestelling, de planning en de uitvoering door allerlei verschillende personen wordt gedaan. De werkwijze van kleinschalige buurtzorg is niet alleen efficiënter, maar vooral ook prettiger voor de cliënt.
Het doet me denken aan de vroegere gezondheidszorg in Loon op Zand 'die toen door zegge en schrijve drie personen geleverd werd: huisarts Smals, Jo van der Avoird, ‘de bruin zuster’ die 37 jaar de kraamverzorgster is geweest in ons dorp, en de wijkverpleegkundige, dat was zuster Jovita, ook zij was een vaste verschijning in het straatbeeld, die zich in haar witte schort vanuit het klooster van het ene naar het andere ziekbed spoedde, met opgestroopte mouwen – en nog zonder wachtlijsten.' ('Het Oranjeplein in de jaren vijftig', Straet & Vaert 2005, 9-31.)
Home
Overigens ben ik van mening dat mijn leeftijdsgenoot Rob de Brouwer zich in de Volkskrant van 17 augustus 2010 terecht stoort aan de opvatting dat babyboomers in weelde zijn opgegroeid (dat van die 14 jaar studie klopt in mijn geval trouwens wel, avondstudie wel te verstaan - naast een 40-urige werkweek).
Volkskrant 17 augustus 2010
Houd op met clichépraat over babyboomers
Waarom is het moeilijk de feiten over de babyboomgeneratie goed voor het voetlicht te krijgen? Waarom hoor je alleen maar de negatieve verhalen (ze deden 14 jaar over hun studie en werden slapend rijk dankzij de hypotheekrenteaftrek en de stijging van de huizenprijzen) en waarom staan daar alleen maar weer ronkende verhalen van babyboomers tegenover? Deze meningsvorming leidt tot clichégepraat over een verschijnsel dat veel genuanceerder kan worden benaderd als de feiten mogen spreken.
De babyboomgeneratie is geboren tussen 1945 en 1955. In haar eerste tien levensjaren heeft deze generatie bittere armoede gekend, zonder dat ze daar overigens veel onder heeft geleden, want lijden doe je pas als je veel minder hebt dan de ander. Bijna iedereen was arm na de Tweede Wereldoorlog. In de acht jaar na de oorlog kende Nederland drie gebeurtenissen die alle op zich ernstige crises genoemd kunnen worden: de geldsanering, de koloniale oorlog (met als gevolg het verlies van Nederlands Indië) en de Watersnoodramp. Deze crises werden verwerkt in een periode dat het tekort op de nationale begroting gigantische vormen aannam. In de vijf jaren van de oorlog was de staatsschuld verzesvoudigd.
Gezinnen, vooral in christelijke en katholieke kringen, waren omvangrijk. Meer dan tien kinderen was geen uitzondering. De babyboomgeneratie moest het doen met eenmaal per week met zijn allen in één bad, eenmaal per week schoon ondergoed, kleren afdragen van de oudste naar de jongste, hoogstens bij verjaardagen ranja, geen vakanties in het buitenland of aan zee, hoogstens een uitje naar de dierentuin en Sinterklaas met één suikerbeest en één chocoladeletter. Daar moeten we niet over klagen, maar bezie deze fase van het verwende leven van de babyboomgeneratie ook.
De jaren van onze jeugd werden gekenmerkt door talloze taboes, zuinigheid en sterke verzuiling. Grote schoolklassen, schoolgaan en werken op zaterdag, je vader had (nog) geen auto, je moeder (nog) geen wasmachine. Traditionele rolpatronen en een autoritaire omgeving leidden ertoe dat jongeren niets hadden te betekenen want de ouderen zetten de trends.
De gevolgen van het losmaken uit deze verstikkende wereld waren een generatieconflict met je ouders en ingrijpende vetes in families: als je tóch ging samenwonen, als je tóch naar die andere school wilde, als je thuiskwam met een meisje of een jongen die van het verkeerde geloof was, als je uit de kast kwam als je homo was... Je kon het huis uit, en vaak ontstonden jarenlange verwijderingen, die pas bij begrafenissen werden overwonnen.
Bedenk als je je wilt afzetten tegen die generatie die je de babyboomers noemt, dat het deze mensen zijn. Niet dat ze zich beklagen over hun ongelukkige jeugd. Vaak was die helemaal niet ongelukkig. Maar jongeren van vandaag, gevormd in grote vrijheid en met een evenwichtige relatie met volwassenen, hadden het er nog geen dag uitgehouden. Dat is geen diskwalificatie, maar een inschatting op basis van de feiten.
Bedenk hoe het begon, dat leven van de babyboomer, voordat je je afgunst laat botvieren op de luxe waarin het eindigt.
Rob de Brouwer
De auteur (1945) is gepensioneerd managing director van Corus. Hij stoort zich aan de opvatting dat babyboomers in weelde zijn opgegroeid.
Home
Overigens ben ik van mening dat Pieter Tops in het Brabants Dagblad van 25 juni 2010 de spijker op zijn kop slaat: in onze complexe maatschappij is gemeentelijke schaalvergroting een voorwaarde voor én professioneel en krachtig lokaal bestuur én het vitaal en bloeiend houden van kleine dorpen.
Brabants Dagblad 25 juni 2010
In de Volkskrant stond recent een interview over twee pagina's met de bestuurlijke top van Noord-Brabant.
De burgemeesters van de vijf grote steden en de commissaris van de koningin laten zich in nogal forse bewoordingen uit over plannen met de bestuurlijke inrichting van Nederland. Allemaal flauwekul! Blauwdrukdenken! Schaalvergroting! Tekentafelrationaliteit! Haags centralisme en blikvernauwing! Het is me nogal wat. De toekomst van Brabant staat op het spel.
Bij zo'n grote bestuurlijke eensgezindheid is het zaak een tegengeluid te laten horen. Daarbij zie ik maar even af van het feit dat alle vijf de burgemeesters aan het hoofd staan van gemeenten die in een nog niet zo ver verleden groot voorstander waren van gemeentelijke schaalvergroting. Stuk voor stuk waren ze allemaal liever nog aanmerkelijk groter geworden dan in de herindeling van de jaren negentig gerealiseerd werd. Allemaal wezen ze toen op de verantwoordelijkheid van de centrale overheid om de provincie op dit punt te corrigeren.
Verleden tijd? Zeker, maar terugkijkend moet gezegd worden dat de grote steden toen meer gelijk hadden dan ze op dat moment kregen. Ook zelf was ik toen geen voorstander van gemeentelijke schaalvergroting. Ik heb mijn standpunt inmiddels bijgesteld, en wel op grond van twee overwegingen. Ik zou graag zien dat de bestuurders daar serieus op in zouden gaan, in plaats van gezamenlijk de grotendeels imaginaire trom van een acute opheffing van de provincie Noord-Brabant te bespelen.
In de eerste plaats is de ervaring van de afgelopen twintig jaar dat gemeentelijke schaalvergroting allerminst ten koste gaat van de kwaliteit van lokale samenlevingen. Waar altijd de veronderstelling is geweest dat herindeling de kwaliteit van de leefgemeenschappen aantast, blijkt in praktijk eerder het tegendeel. Binnen de nieuwe gemeenten komen de bestaande gemeenschappen tot bloei en verdere ontwikkeling. De kwaliteit van voorzieningen gaat omhoog (sport, cultuur). De dienstverlening aan burgers wordt beter (een loket, ICT). De lokale identiteit wordt eerder sterker dan zwakker, ook al omdat die in een groter verband wordt uitgedaagd en versterkt. Vraag het aan de burgers van Udenhout, Ulvenhout, Rosmalen. Er zijn er maar weinigen die weer terug zouden willen naar de oude situatie. Samenleving en bestuur vallen nu eenmaal niet samen. Sommige vitale bestuursactiviteiten vragen om een grotere schaal dan die van een kleine gemeente. We weten beter dan in het verleden hoe binnen een grotere schaal ook de kleinere verbanden kunnen worden gerespecteerd. Zo bezien is verdere gemeentelijke schaalvergroting eerder een voorwaarde voor bloeiende en vitale lokale samenlevingen dan een aantasting daarvan. Bestuurders van kleine gemeenten raken daar meer en meer van overtuigd, getuige ook de toename van het aantal gevallen van vrijwillige gemeentelijke samenvoeging. Nu de bestuurders van de grote gemeenten en de provincie nog!
Er is nog een ander punt. Het bestuur van Nederland is veel te ingewikkeld geworden. Overcomplexiteit is een wezenlijk probleem. Niet alleen voor burgers, maar ook voor bestuurders en ambtenaren die dag in dag uit met beleid te maken hebben, is de complexiteit te groot geworden en het proces onbegrijpelijk. 'Ketenaanpak' en 'ontkokering' zijn eerder lapmiddelen dan oplossingen. En zij staan bovendien de echte oplossingen in de weg.
Een belangrijke oorzaak daarvoor ligt in een chronisch gebrek aan vertrouwen, ook en juist tussen bestuurders. Dat begint in ons land chronische vormen aan te nemen en is aanleiding tot een oneindige drang tot controleren. Elke bestuurder, elke ambtenaar, elke politieagent en elke verpleegkundige: ze zijn de helft van hun werktijd bezig nauwgezet verantwoording af te leggen van wat ze in die andere helft doen. En we bereiken precies het tegenovergestelde van wat we beogen. De overcomplexe samenleving die er het gevolg van is leidt tot een overheid die trager en machtelozer is en die het vertrouwen van burgers nog verder doet afkalven.
Herordening en simplificatie van het openbaar bestuur zijn hard noodzakelijk. Simpelheid heeft in zichzelf betekenis. Om redenen van efficiency en effectiviteit, maar meer nog met het oog op het herstel van vertrouwen van burgers in de overheid. De organisatie van het land is zo complex geworden dat burgers en bestuurders nauwelijks nog weten wie waarvoor verantwoordelijk is. Verschil tussen goede en foute complexiteit kan nauwelijks nog worden gemaakt. De organisatie is zo ondoorzichtig geworden dat verschillende instanties wel erg gemakkelijk de verschillende verantwoordelijkheden kunnen afschuiven. En dat is een van de belangrijkste redenen voor afkalvend vertrouwen.
Dit is de achtergrond waartegen we de discussie over de ordening van het bestuur in ons land voeren. Ik ben het met onze burgemeesters en de commissaris van de koningin eens, dat daarbij een opheffing van provincies nauwelijks zin heeft. Het kan hoogstens het sluitstuk van een ontwikkeling zijn. Laten we maar eens beginnen met een stevige herordening van de gemeentelijke bestuursschaal. Daar is alle reden toe. En ook dat is al ingewikkeld genoeg. De ruimte daarvoor wordt nogal verkleind, wanneer gezichtsbepalende bestuurders de hakken in het zand gaan zetten.
Pieter Tops is hoogleraar bestuurskunde Tilburg en lid van de commissie-Van Boxtel die voor de VNG een advies schreef over helderheid en eenvoud in het openbaar bestuur.
Home