Jan Peijnenburg, de eerste boswachter van de Loonse en Drunense Duinen

Jan Peijnenburg, de eerste boswachter van de Loonse en Drunense Duinen

Jan van Iersel


Inleiding

Over de ontstaansgeschiedenis van de Loonse en Drunense Duinen is al veel geschreven. Om kort te gaan: de stuifzanden zijn niet ontstaan door de Sint Elisabethsvloed van 1421, zoals ooit is beweerd, maar als gevolg van agrarische roofbouw. Daardoor werd het oorspronkelijke landschap een ecologisch rampgebied, maar wel een van een schitterende schoonheid.
Naast de ontstaansgeschiedenis is veel aandacht besteed aan de archeologische, cultuurhistorische, landschappelijke en natuurwaarden van de Loonse en Drunense Duinen. Enkele namen die hier niet onvermeld mogen blijven zijn: Piet de Jongh, Anton van der Lee, Harrie Stokwielder en Ger Verschuren.
In de jaren 1921-1931 wist de Vereniging tot Behoud van Natuurmonumenten - zonder daar ruchtbaarheid aan te geven - het centrale gedeelte van de Loonse en Drunense Duinen van enkele grootgrondbezitters aan te kopen. Het ging om een min of meer aaneengesloten geheel van zandverstuivingen, heide en bossen van in totaal zo'n 1100 hectare (ha), gesitueerd tussen de horecagelegenheden De Roestelberg, De Efteling, Bosch en Duin en De Rustende Jager. Sindsdien heeft Natuurmonumenten zich doorlopend ingespannen om de honderden randgebieden en enclaves te verwerven die het terrein tot een afgerond geheel moesten maken. In omvang varieerden deze ontbrekende percelen van snippers van enkele aren tot grote complexen van wel tientallen hectaren. Dit verwervingsproces is een geschiedenis op zich en gaat overigens tot op de dag van vandaag met onverminderde ijver door.
Samen met het aangrenzende natuurgebied De Brand van de Stichting Het Brabants Landschap vormt het gebied tegenwoordig het Nationaal Park De Loonse en Drunense Duinen, dat een oppervlakte heeft van 3500 ha. Dit unieke natuurgebied wordt soms wel oneerbiedig de grootste zandbak van Europa genoemd en trekt jaarlijks 1,5 miljoen bezoekers. Een team van veertien boswachters, bijgestaan door een grote groep vrijwilligers, zet zich dagelijks in voor het beheer, de instandhouding, verbetering, voorlichting, educatie, enzovoorts. Over dit alles kunnen belangstellenden zich uitgebreid op de hoogte stellen via een website, een recreatiekrant, wandelgidsen, brochures en langs vele andere wegen.

foto Jan Peijnenburg

Hoe anders het eraan toeging in de jaren dat de Vereniging tot Behoud van Natuurmonumenten haar eerste aankopen deed in de Loonse en Drunense Duinen, blijkt uit het in 1996 uitgebrachte Loonse en Drunense Duinen: 75 jaar natuurbeheer.
Daarin wordt de rijke historie van dit natuurmonument beschreven door een team van auteurs, waaronder Ger Verschuren, die archiefonderzoek deed naar de aankoop en het beheer. Waar bij de geschiedenis van de aankoop de opvallende rol van Frans Mombers, leerlooier uit Waalwijk, in het oog valt, is het bij het terreinbeheer de persoon van boswachter Jan Peijnenburg die - vrijwel vanaf het begin tot ver in de jaren zestig - zijn stempel op de dagelijkse gang van zaken heeft gedrukt. Gedurende deze tientallen jaren was het bezit van de Vereniging in Loon op Zand en omgeving zijn territorium, waar hij het voor het zeggen had en waar hij dag en nacht, zeven dagen per week, jaar in, jaar uit, alles en iedereen nauwlettend in de gaten hield. Niets ontging hem en wie hij op een overtreding betrapte, kon - zonder aanzien des persoons - rekenen op een gepaste bestraffing. Men moest maar weten dat onder zijn leiding de regels streng gehandhaafd werden, want van het bezit van Natuurmonumenten moest je afblijven. Alles wat hij deed, waarnam en wat naar zijn mening om maatregelen vroeg, rapporteerde hij aan het kantoor van Natuurmonumenten te Amsterdam. Meerdere brieven per week en soms zelfs meer dan een per dag stuurde Jan Peijnenburg vanuit zijn dienstwoning aan de Hoge Steenweg te Loon op Zand naar de 'Wel Edele Heeren' in Amsterdam, altijd afsluitend met 'Hoogachtend' of 'Met Vriendelijke Groeten' en beleefdheidshalve gevolgd door 'Uw(e) dw dn' of 'Uw dee. d.' (Uw dienstwillige of deemoedige dienaar). Omgekeerd kreeg 'Waarde Peijnenburg' met grote regelmaat antwoord van de heren terug per post, die toen nog tweemaal per dag bezorgd werd. Meestal was de reactie instemmend, waar nodig met toevoeging van een aanwijzing of verzoek en bij tijd en wijle ook een aanmoediging of schouderklopje. Zo ontstond een uit honderden brieven bestaande correspondentie tussen het veld en de leiding, welke bewaard is gebleven in het archief van Natuurmonumenten. Het is de belangrijkste informatiebron geweest voor dit geschiedverhaal over de werkzaamheden en belevenissen van een jonge en in het begin nog minder ervaren boswachter, aan wie in de moeilijke vooroorlogse jaren - met veel werkloosheid en ellende - de zorg was toevertrouwd over het uitgestrekte natuurgebied van de Loonse en Drunense Duinen.

Jan den boswachter

Johannes Cornelis Peijnenburg, op 13 september 1902 geboren in Boxtel, groeide op midden in de Oisterwijkse bossen en vennen in de boswachterswoning Venkraai, thans café-restaurant Boshuis Venkraai, eigendom van Natuurmonumenten. Al op jonge leeftijd werden hem de kneepjes van het boswachtersvak bijgebracht door zijn vader, Gerardus, die werkzaam was bij de Vereniging Natuurmonumenten. Voor het eerst in het voorjaar van 1915 - nog geen dertien jaar oud - hielp hij al bij het planten van dennen. In de jaren daarna bleef dat zo, vooral in de wintermaanden, toen echter onder boswachter Moorman die Gerardus Peijnenburg na diens overlijden in 1917 opvolgde. Sinds het najaar van 1919 was Jan Peijnenburg geregeld werkzaam voor Natuurmonumenten in Oisterwijk en later ook in Loon op Zand. Tijdens een bezoek van enkele bestuursleden in de herfst van 1922 werd Jan, die bezig was met dunnen, aangesproken door Van Tienhoven, de latere voorzitter van de Vereniging. Deze noteerde: 'Aan Jan Peijnenburg gezegd, dat hij een extra krijgt na afloop als wij over zijn werk tevreden zijn.' Hij kreeg zijn aanstelling als voorwerker en in februari 1926 werd hij benoemd tot onbezoldigd rijksveldwachter, wat hem de bevoegdheid gaf om bij overtredingen een proces-verbaal op te maken. Als voorwerker kreeg hij het vertrouwen van Van Tienhoven, die in hem een toekomstig boswachter voor de bezittingen in Loon op Zand zag, een functie die in de eerste jaren van aankoop aldaar door de medewerkers Moorman en Verhoeven vanuit Oisterwijk werd waargenomen. In zijn bezoekverslag noteerde hij: 'Huis bouwen bij schuur en Jan Peijnenburg boschbaas?' In 1928 was het zover dat de Vereniging hem voor deze functie benaderde.

Peijnenburg aan Natuurmonumenten, Oisterwijk 15 oktober 1928:

'In antwoord op uw geëerd schrijven van 11 dezer bericht ik U Edele dat ik en mijn aanstaande de woning welke U op Westloon wilt laten bouwen wel willen betrekken en de boschwachterij geheel op mij nemen. Doch alvorens hiertoe vast te kunnen besluiten zouden wij graag eerst iets naders vernemen betreffende de loonregeling en voorwaarden die hieraan verbonden zijn.'

Boswachter zou Peijnenburg worden, maar het woonhuis bij de schuur - de opslagplaats van materialen bij de kwekerij van Natuurmonumenten in het gebied Westloon - ging niet door. De Vereniging kocht een woning voor hem die eerst nog verbouwd moest worden, waarna deze op 1 september 1929 gereed zou zijn voor bewoning. Peijnenburg werd schriftelijk van de opleveringsdatum op de hoogte gesteld 'opdat hij zijn trouwplannen daarnaar kan regelen'.
In die septembermaand trad hij in het huwelijk en betrok het echtpaar de boswachterswoning, gelegen aan de Hoge Steenweg aan de (bos)rand van Loon op Zand, met als bijkomend voordeel dat hij niet meer 'dagelijks die groote fietstocht' hoefde te maken.

Peijnenburg aan Natuurmonumenten, Loon op Zand 21 september 1929:

'Mijn aanstaande en ik zelf zijn U Edele en de Vereeniging ten zeerste dankbaar voor het mooie huwelijksgeschenk en het vertrouwen dat U Edele en de Vereeniging in ons stelt. Verder moet ik U Edele en de Vereeniging nog vriendelijk bedanken namens Moeder voor de goede steun, en blijk van waardeering. Volgens afspraak van j.l. Zaterdag neem ik 4 dagen vrij en wel van Dinsdag t/m Vrijdag.
Ik hoop dat U Edele ons eens gauw met een bezoek komt vereeren.'

Op 25 december, de eerste kerstdag, bezocht Van Tienhoven het jonge stel en noteerde in het schrift waarin de bezoeken aan de Loonse en Drunense Duinen werden aangetekend: 'Eerste maal bij Jan Peijnenburg, huis netjes bewoond. Nette vrouw, keurig ingericht. (...) Naam voor huis verzinnen.'
Per 1 oktober 1929 ging de benoeming in als zelfstandig boswachter van de Vereniging tot Behoud van Natuurmonumenten met een salaris van ƒ 100,- per maand. Daarmee kreeg de pas 27-jarige Jan Peijnenburg de verantwoordelijkheid voor het dagelijks beheer van de Loonse en Drunense Duinen, die juist in de week van zijn huwelijk verder waren uitgebreid met een 'zeldzaam mooi stuk natuurschoon' van 301 ha, aangekocht van de Udenhoutse familie Lemire, waarmee deze totale bezitting van de Vereniging de duizend hectare overschreed.
Tegelijk met Peijnenburgs verhuizing kreeg zijn werkgever van de gemeente Loon op Zand bericht dat een bosbrandweer was opgericht en 'onder leiding gesteld van Uwen opzichter de heer Pijnenburg, die derhalve als brandmeester zal fungeeren'.
In dit geschiedverhaal zal blijken wat het in de praktijk betekende om zelfstandig boswachter te zijn van zo'n omvangrijk gebied - en dat in de toen in het verschiet liggende jaren van crisis en oorlog. Amsterdam was immers ver weg en de Vereniging had nog geen directeuren of hoofdopzichters boven de boswachters, zodat de verantwoordelijkheid voor het beheer van de terreinen rechtstreeks terugviel op het dagelijks bestuur. In feite was het bestuurslid, tevens voorzitter, Van Tienhoven verantwoordelijk voor de Loonse en Drunense Duinen. Hij kwam dan ook dikwijls naar Loon op Zand, soms samen met administrateur en medebestuurslid Drijver. In 1933 trad Eshuis in dienst, die een deel van de taken van Van Tienhoven overnam, en ook die treffen we sindsdien in de bezoekverslagen van de Loonse en Drunense Duinen aan.

Wat opvalt is dat Peijnenburgs benoeming samenviel met zijn huwelijk met Anna Zweerts. Is er een verband met de eisen die het beroep van boswachter stelt? De weduwe Klijn-de Bresser van De Rustende Jager had daar zo haar eigen gedachten over. Haar zoon Jan Klijn was enkele jaren na Peijnenburgs benoeming als zijn eerste medewerker aangesteld. Moeder kon hem niet goed loslaten en toen hij in het huwelijk zou gaan treden, schreef zij aan Amsterdam '(...) ik geef hem niet graag af, maar voor Natuurmonumenten is het beter dat Jan getrouwd is, want dan zijn zijnen gedachten altijd in de Bosschen en duinen en dan kan hij beter zijn werk voltooien. Een Boswachter moet maar getrouwd zijn, dan kunnen ze altijd in de Boschen zijn, wat hard nodig is en vooral in den zomer'. Terug naar Jan Peijnenburg. Wie was hij? Dorpsgenoot Diny Kemmeren beschreef 'Jan den boswachter', zoals hij ter plaatse door het leven ging, als: ‘Een zeer bescheiden persoon die niet graag op de voorgrond trad en op zeer kleine schaal deelnam aan het sociale leven in het dorp. Hij was een natuurmens, die dan ook de meeste tijd van zijn leven, van ’s morgens vroeg tot ’s avonds laat, in het duingebied heeft doorgebracht.'
Dit laatste zou Peijnenburg zelf ongetwijfeld bevestigd hebben. Toen hij eens mocht genieten van een paar vrije dagen en zich wist los te maken van Loon op Zand en zijn Loonse en Drunense Duinen voor een bezoek aan de grote stad Amsterdam, vergeleek hij in zijn verslag het stadsleven met de vrije natuur.

Peijnenburg aan Natuurmonumenten, Loon op Zand 14 mei 1937:

'Hiermede bericht ik U Edele dat er tijdens mijne afwezigheid hier niets bijzonders heeft voorgedaan en ik over mijn plaatsvervanger J. Klijn tevreden ben.
Wij hebben enkele prettige dagen in Amsterdam gehad en zijn er blij om eens een paar dagen er tusschen uit te zijn geweest. Bij mijn thuiskomst, donderdagavond heb ik echter pas goed beseft, wat de bewooners uit de groote steden moeten missen, en hoe mooi het dan toch is in de vrije natuur.
Ik heb n.l. nog nooit de Duinen zoo mooi gezien, als toen ik donderdag na thuiskomst van de reis, nog een tocht maakte door mijn gebied en het is toen ook geweest dat het groote verschil mij zoo opviel. Nogmaals dankend voor de verleende verlofdagen.'

Zoals gezegd verliep de communicatie tussen Peijnenburg en het kantoor van de Vereniging in Amsterdam voor de oorlog voornamelijk schriftelijk. Alleen in bijzondere omstandigheden kwam voorzitter Van Tienhoven of een van zijn medewerkers van Amsterdam naar Loon op Zand, wat meestal gecombineerd werd met een bezoek aan de bezittingen van de Vereniging in Oisterwijk en de Kampina bij Boxtel. Op dit laatste bezit, dat was aangekocht van de familie Van Tienhoven, stond Huize Kampina, waar men de nacht kon doorbrengen. Het bezoek uit Amsterdam arriveerde per trein in Waalwijk, Boxtel, Tilburg of Udenhout; dit laatste station totdat het in het voorjaar van 1938 werd opgeheven. Meestal ging de reis per bus verder naar Loon op Zand. Of als het weer het toeliet per fiets. Peijnenburg moest dan zorgen voor een huurfiets voor het vervoer ter plaatse. Een eigen fiets, zoals op het terrein van de Kampina, dat leek Peijnenburg wel wat.

Peijnenburg aan Natuurmonumenten, Loon op Zand 28 januari 1934:

'De bedoelde fiets heb ik kunnen koopen voor ƒ 5,-, doch daar de rem nog nagezien moest worden en ik er nog een halve kettingkast bij op laat maken, zal er nog ongeveer ƒ 1,- onkosten bij komen, zoodat ze op ƒ 6,- zal komen.
Met de toestand van mijn vrouw was het vrijdag en zaterdag heel wat beter, doch vandaag was de toestand weer minder goed te noemen het is te hopen dat deze kleine inzinking maar van voorbijgaande aard mag zijn, en zij spoedig geheel mag herstellen.'

Natuurmonumenten reageerde instemmend: 'Het is goed, dat U de fiets maar gekocht hebt nu die tegen zulk een billijken prijs te krijgen was. Het is voor ons gemakkelijk als wij bij U evenals op Kampina een rijwiel hebben, temeer omdat het in Loon op Zand niet altijd gemakkelijk is een rijwiel te huren.'
Het herstel van Peijnenburgs vrouw verliep minder voorspoedig dan hij gehoopt had. Van Tienhoven gaf tijdens een van bezoeken advies: 'Vrouw Peijnenburg aangeraden boschbessenwijn te drinken en Sanatogen te nemen.'

Peijnenburg aan Natuurmonumenten, Loon op Zand 8 april 1934:

'De toestand van mijn vrouw gaat goed vooruit. De huisdokter vond het niet nodig nog terug te komen. Wel waarschuwde hij nog, dat mijn vrouw nog veel rust moest nemen en nog een heele poos zeer licht verteerbaar voedsel moet blijven gebruiken. Het is nu maar te hopen dat de beterschap stand houdt, want het is lang niet prettig als men een zieke heeft, en het brengt veel kosten met zich mee.'

Peijnenburg aan Natuurmonumenten, Loon op Zand 27 juni 1934:

'Naar aanleiding van Uw brief van 21 Juni kan ik U Edele berichten dat ik van Brinksma de boschbessen heb ontvangen en deze in goede staat zijn overgekomen, wij hebben ze ook al reeds ingemaakt. Hiervoor betuigen wij onze oprechten dank en hopen maar dat deze mijn Vrouw goed mogen bekomen.'

Met de gezondheid van Harry Peijnenburg - Jans broer, die schilder van beroep was - ging het slecht. Op 8 april 1935 schreef zijn broer Kees namens de familie Peijnenburg, Venkraai te Oisterwijk, aan Van Tienhoven dat het snel achteruit ging met Harry. Zijn gestel was zeer zwak geworden en er bestond niet veel kans op herstel. 'Moeder lijd er hevig onder.' Een jaar later overleed Harry op 27-jarige leeftijd. Ook broer Kees trad in vaders voetsporen. Hij werd als bosarbeider aangenomen door Natuurmonumenten waar hij zich zou opwerken tot boswachter met Oisterwijk als standplaats. Wanneer nodig stonden beide broers elkaar bij. Kees kwam soms naar Loon op Zand om Jan te helpen met de administratie tijdens openbare houtverkopingen, ook het omgekeerde kwam voor en ze leenden soms gereedschappen van elkaar.
Jan Peijnenburg raakte gehecht aan zijn Loonse en Drunense Duinen en is ook na zijn pensionering in Loon op Zand blijven wonen. Iedere dag ging hij de bossen in om er te wandelen. En toen het lopen niet zo goed meer ging, nam hij de fiets, wat hij tot het laatste toe - hij overleed in 1986 - heeft volgehouden.

Frans Mombers

De eerste jaren stond Peijnenburg er als boswachter nog niet geheel alleen voor. Naast Jan Verhoeven, die woonachtig was in Boxtel en ook 'boschbaas' was bij Natuurmonumenten, was er de al genoemde Frans Mombers, die - zoals Natuurmonumenten het zelf omschreef - 'de belangen onzer Vereeniging in de omgeving van Loon op Zand behartigt'. Van beide personen zal Peijnenburg ongetwijfeld veel geleerd hebben, vooral waar het ging om het taxeren van percelen en alles wat er verder bij de aankoop daarvan komt kijken. Als er iets te koop kwam wat voor Natuurmonumenten mogelijk interessant was, gingen ze dat met z'n tweeën of drieën bezichtigen. Iets wat makkelijker gezegd was dan gedaan. Dikwijls was het de eigenaar zelf niet eens duidelijk hoe de perceelsgrenzen precies liepen, vooral als zijn bezit in of aan de grenzen van het stuifzandgebied gelegen was. Er moesten dan kadastrale kaarten en oude koopacten worden bestudeerd of er moest een bezoek aan het Kadaster worden gebracht en soms werden de eigenaren van aangrenzende percelen geraadpleegd. Wanneer een en ander was opgehelderd, moest Peijnenburg zorgen voor een blijvende grensscheiding van greppels of palen.
Soms kwamen partijen er in het veld niet uit. Dat was bijvoorbeeld het geval met het perceel van de familie Frijlinck uit Den Haag. In een brief aan Amsterdam vroeg Mombers om meer archiefgegevens en een kadastrale kaart van de percelen ten noorden van de duinen, waar het bewuste perceel gelegen was: 'Het spreekt van zelf, dat wanneer er in uw archief gegevens zijn, waarmee ik mijn nut kan doen, deze papieren even het stof van hun veren moeten schudden en hun veilige bewaarplaats even moeten verlaten. Het is nu het oogenblik.' Papieren of geen papieren, ook na een hele dag werken door Verhoeven, Peijnenburg en Mombers kon nog steeds geen resultaat gemeld worden. De kadastrale gegevens stemden niet overeen met de plaatselijke toestand. Ter plaatse waren ook geen perceelsgrenzen te zien. Mombers zou met de secretaris van de gemeente Drunen gaan praten. Maar door geduld en vasthoudendheid wist hij meestal vroeg of laat tot zaken te komen. Bijvoorbeeld de zojuist genoemde aankoop van 301 ha van de familie Lemire had de Vereniging aan Mombers te danken, die er al in het voorjaar van 1927 zijn tanden in had gezet. Van Tienhoven bedankte hem bij de overdracht: 'Wij beschouwen dezen aankoop als een daad van bijzonder belang en wij zullen U steeds als wegbereider gedenken.'

Wat Mombers nog meer deed was een oogje in het zeil houden bij de dagelijkse gang van zaken in en rond de Loonse en Drunense Duinen. Over wat hij zag en hoorde bracht hij rapport uit aan Amsterdam, zoals:
- 'Ben zoo juist bij J. Pijnenburg de boodschap gaan doen, morgen bij de schuur te zijn. Ik ben daar in de kweekerij een kijkje gaan nemen. (...) Peerke was daar de jonge beukjes aan 't uitwieden.'
- Over de bezichtiging van een perceel mastbos, samen met Peijnenburg, gelegen in 'een volksbuurt' en in gebruik als speelterrein: 'Laat ze dáár maar rustig spelen, dan blijven ze uit de bosschen der Vereen. uit.'
- 'Gisteren ben ik op Efteling geweest. Het huishouden Spierings zijn geschikte menschen, die alleen maar verlangen [dat] het huis [eigendom van Natuurmonumenten] bewoonbaar is. (...) Langs de zijbermen van de Eftelingsche straat waren 2 arbeiders de bosschen aan 't schoon maken, een zeer goed werk. Het is daar een mooie entree naar de duinen.'
- 'In de Loonsche hei is verder alles rustig, de dennen maken dit jaar een mooi lot, branden zijn er tot op heden niet uitgebroken. Ik meende u voornemens waart medio Juni [1930] een bezoek aan Loon te brengen, zou dit misschien de volgende week kunnen zijn.'

Ook de verbouwing van de boswachterswoning voor Peijnenburg stond onder zijn leiding en toezicht. Deze en vele andere zaken zou Peijnenburg de daaropvolgende jaren gaan overnemen, wat trouwens de bedoeling was van Natuurmonumenten. Mombers zag dat ook graag en hoe eerder hoe liever: 'Het is te hopen [dat] Jan Pijnenburg zich zachtjesaan in die zaken inwerkt, die heeft tijds genoeg.' In het voorjaar van 1930 maakte Mombers Natuurmonumenten erop attent dat hij al meer dan een jaar zijn eigen zaken terzijde gelegd had en dat het tijd werd dat die op het eerste plan kwamen. Daarmee doelde hij echter niet in de eerste plaats op de vele uren die hij aan de Vereniging besteedde, maar vooral op de overdracht van zijn eigen - uitgebreide - bezittingen ten westen van de provinciale weg Loon op Zand-Kaatsheuvel. Al jaren spraken en schreven partijen over die overdracht, die als een rode draad is verweven met de correspondentie over de vele lopende zaken. Omdat het bestuur van de Vereniging niet tot een besluit kon komen, zouden deze inspanningen nooit resulteren in een daadwerkelijke transactie. Uiteindelijk werd dit bezit na de Tweede Wereldoorlog (deels via de gemeente Loon op Zand) aangekocht door de Stichting Natuurpark de Efteling. Over deze complexe en uitgebreide geschiedenis zal hier niet verder worden uitgeweid. We keren terug naar de correspondentie over de overdracht van Mombers’werkzaamheden voor Natuurmonumenten aan boswachter Peijnenburg.

Mombers aan Natuurmonumenten, Waalwijk 4 april 1930:

'Verder is de halfjaarlijksche termijn 1 Oct '29 - 31 Mrt '30 verstreken, waarop mij de onkosten voor reiskosten, porti's enz. gerembourseerd worden. Vanwege de vele en verre tochten naar de woeste terreinen achter Drunen, die juist in die periode van stormweer samenviel, is z'oon baantje alles behalve een sinecure. Het was wel gewenscht, dat Pijnenburg zich in die zaken begon in te werken, daar hij toch feitelijk als boschwachter de aangewezen persoon is.'

Natuurmonumenten aan Mombers, Amsterdam 11 april 1930:

'Mogen wij van deze gelegenheid gebruik maken U toe te zenden een postcheque ad ƒ 200,- als vergoeding voor de vele onkosten, welke U zich in het belang van onze Vereeniging getroost hebt in het tijdvak 1 October 1929 tot 1 April 1930. U hebt de laatste maanden de handen vol gehad met allerlei beslommeringen voor onze Vereeniging, doch wij weten, welk een voldoening het ook voor U is, dat het natuurmonument zich gaandeweg kan uitbreiden. Het lijkt mij heel goed, dat U bij Uw ontmoeting met Peijnenburg hem zooveel mogelijk inlicht, opdat hij zoo langzamerhand zich in de dikwijls moeilijke en ingewikkelde zaken kan inwerken.'

Toch bleef men vanuit Amsterdam een beroep doen op Mombers, onder meer toen de Vereniging vertegenwoordigd moest worden op een vergadering van het Waterschap het Zuider Afwateringskanaal, waar een 'plaatselijke ruzie' speelde over de verkiezing van een bestuurder. Mombers bleef zijn halfjaarlijkse onkostendeclaraties indienen. Zijn declaratie van 7 oktober 1931 ging echter vergezeld van het verzoek om voortaan minder gebruik te maken van zijn diensten. Onderstaand het antwoord van Natuurmonumenten aan Mombers en een brief over dit onderwerp aan notaris Schreurs in verband met de afwikkeling van een lopende aankooptransactie.

Natuurmonumenten aan Mombers, Amsterdam 12 oktober 1931:

'Het spijt ons, dat wij in de toekomst geen beroep meer op Uw hulp kunnen doen, doch wij begrijpen, dat het voor U op den duur bezwaarlijk wordt zooveel tijd aan het werk buiten te besteden. Toch zijn wij ervan overtuigd, dat U met evenveel genoegen aan de afgeloopen jaren zult terugdenken als wij en dat het ook voor U een blijvende voldoening zal zijn te weten zoo krachtig te hebben medegewerkt aan de tot standkoming van een fraai natuurmonument, een van de mooiste en uitgebreidste in Nederland. Wij van onzen kant zullen niet vergeten welk aandeel U in al dit werk hebt gehad.'

Natuurmonumenten aan notaris Schreurs te Drunen, Amsterdam 23 oktober 1931:

'Het lijkt ons in dit geval beter, dat u daarover spreekt dan dat dit door iemand anders gedaan wordt, temeer nu de heer Mombers ons gevraagd heeft zooveel mogelijk het werk, dat hij zoovele jaren gedaan heeft door anderen te laten uitvoeren. Wel kunnen wij in ernstige zaken natuurlijk steeds een beroep op den heer Mombers doen, doch daaronder meenen wij den aankoop van deze strook niet te kunnen rangschikken.'

Het bleef voor Natuumonumenten moeilijk om geen beroep meer te doen op Mombers, ook wanneer het minder ernstige zaken betrof, zoals de brieven van een zekere Pijnenburg, schoenmaker te Loon op Zand, waarin in uiterst vage bewoordingen gesproken werd over plannen die voor Natuurmonumenten een groot financieel voordeel zouden kunnen opleveren. Boswachter Peijnenburg bezocht de man zonder iets wijzer te worden, waarna Mombers het mocht proberen. Maar die was niet geïnteresseerd, de man wilde immers toch niet praten voordat hij betaald kreeg, waarna Natuurmonumenten de zaak verder liet rusten. Wel stelde Mombers direct Natuurmonumenten en boswachter Peijnenburg op de hoogte toen hem ter ore kwam dat uitspanning De Roestelberg en omliggende terreinen te koop werden aangeboden door de eigenaar, P.H. van Schijndel, medeaandeelhouder van de gefailleerde stoomschoenfabriek Van Schijndel te Waalwijk. Uiteraard viel dit nieuws wél onder de 'ernstige zaken'. Peijnenburg meldde het dan ook onmiddellijk aan Amsterdam.

Peijnenburg aan Natuurmonumenten, Loon op Zand 15 december 1931:

'Deze terreinen zijn voor de Vereeniging zeer mooi gelegen met zijn mooie uitzichten over onze bezittingen. Door aankoop van deze terreinen kan de Vereeniging daar een goede Noordgrens verkrijgen. Het terrein is voor een groot deel heuvels en duinen en gedeeltelijk door dennen en loofhout begroeid, het andere gedeelte is bouw en weiland.
De heer Mombers zal U misschien al wel ingelicht hebben of zal het dezer dagen wel doen.'

Mombers aan Natuurmonumenten, Waalwijk 15 december 1931:

'U begrijpt, de zaak moet met een beetje discretie behandeld worden. De familie V. Schijndel verkeert in zeer droevige omstandigheden, zware slagen hebben hen getroffen. In het begin dezer maand de moeder plotseling overleden, vlak daarop de stopzetting der prachtige fabrieken, heel Waalwijk is er mee begaan. Mijne gevoelens ten opzichte van de vereeniging zijn nog altijd hetzelfde. Ik meende u als vriend deze kleine voorlichting te moeten geven. Laat mij s.v.p. eens weten wat u er van zegt, wat in deze het beste is te doen.'

Helaas bleek de vraagprijs van de familie Van Schijndel aanzienlijk hoger dan de schatting van Natuurmonumenten. Opzichter Verhoeven werd om advies gevraagd en wederom werd een beroep gedaan op Mombers, die zou moeten proberen om 'hetgeen feitelijk onmisbaar is voor ons' aan te kopen. Voorzitter Van Tienhoven: 'Ik mag deze zaak wel in Uw aandacht aanbevelen en misschien is Uw vindingrijkheid ertoe in staat om ook in deze weer de belangen der Vereeniging te behartigen, zooals U reeds in zoovele gevallen gedaan hebt.'
Intussen zal Peijnenburg het ongetwijfeld moeilijk hebben gevonden om het aankopen van percelen van Mombers over te nemen, dit met het oog op de belangenverstrengeling waar dikwijls sprake van was. Dat deed zich bijvoorbeeld voor toen een landbouwer uit Loon op Zand enkele bezittingen wilde verkopen, die deels aan de oostzijde en deels aan de westzijde waren gelegen van de provinciale weg Loon op Zand-Kaatsheuvel. De vraag was of Natuurmonumenten, die tot dan toe alleen bezittingen aan de oostzijde van deze weg verworven had, ook de percelen aan de westzijde wilde kopen. Mombers vond het prima wanneer Natuurmonumenten het geheel zou aankopen, maar hij was ook bereid om de percelen aan de westkant aan zijn privébezit toe te voegen. Hij stelde voor om samen een bod uit te brengen van ƒ 400,-, de prijs die hij samen met Verhoeven had geschat. Daarvan zou Mombers zelf ƒ 150,- betalen. Natuurmonumenten stemde met dit voorstel in en liet aan Mombers over of hij verder zou gaan onderhandelen of dat hij er de voorkeur aan gaf om dat door Peijnenburg te laten doen. Vervolgens hebben Peijnenburg en Mombers er wel over gesproken, maar kennelijk zonder een duidelijke afspraak, want kort daarna schreef Mombers aan Van Tienhoven dat hij 'in de veronderstelling (was) dat Peijnenburg een & ander zou afwerken' en dat hij van de koop van zijn deel afzag.
Dit was de laatste taxatie die Mombers met Verhoeven gedaan had. Verhoeven was intussen bevorderd van 'boschbaas' tot hoofdopzichter van de bezittingen in Noord-Brabant en vertrouwensman van de Vereniging. Korte tijd later, op 30 augustus 1932, zou hij plotseling overlijden. Het jaar ervoor had hij nog een Koninklijke onderscheiding gekregen, een eremedaille verbonden aan de Orde van Oranje Nassau. Overigens zou ook Jan Peijnenburg gedecoreerd worden, samen met nog zes boswachters die meer dan 25 jaar in dienst waren en wel ter gelegenheid van het 50-jarig bestaan van de Vereniging in 1956.

Mombers schreef aan Van Tienhoven dat er de laatste tijd 'in de hei' weinig meer verhandeld was en hij bereid was om in te springen.

Mombers aan Natuurmonumenten, Amsterdam 6 september 1932:

'De algemene slechte toestand heeft daar veel toe bijgedragen en ook is vanzelf van uw kantoor het laatste half jaar niet veel stimulans om onder L.o.z. de zaken verder uit te breiden, uitgegaan. Met den dood van Verhoeven is er dit nog slechter op geworden. Zou het zijn, dat ik u met een of ander tijdelijk behulpzaam kan zijn, zal ik dit naar best vermogen doen.'

Per omgaande werd hem er fijntjes op gewezen dat hij van een en ander niet geheel op de hoogte was met bijvoeging van een lijst van aankopen die in 1931 en tot dan toe in 1932 tot stand waren gekomen: in totaal 11 transacties, waarvan de grootste 11 ha.

Natuurmonumenten aan Mombers, Amsterdam 8 september 1932:

'Zeer zullen wij het op prijs stellen, indien U Peijnenburg wat wegwijs wilt maken, opdat hij in voorkomende gevallen voor onze Vereeniging kan optreden, zooals Verhoeven dat tot nu toe gedaan heeft. Komt U eens in de omgeving van Loon op Zand, dan hopen wij, dat U Peijnenburg de noodige inlichtingen omtrent eventueele aankoopen wilt geven.'
(...) 'Het is jammer, dat U het overlijden van Verhoeven zoo laat vernomen hebt, waardoor U de mogelijkheid ontnomen werd op de begrafenis aanwezig te zijn. De briefkaart van Dries Verhoeven ontvangt U bijgaand weer terug.'

Steeds meer vond de correspondentie over de Loonse en Drunense Duinen plaats tussen Natuurmonumenten en Peijnenburg. Bijna een jaar lang ontbreekt in het archief het vertrouwde handschrift van Frans Mombers, tot deze in de zomer van 1933 verzocht om verlenging van zijn vergunning om konijnen te mogen schieten. Natuurmonumenten stemde daarmee in en verlengde de door haar in 1930 afgegeven vergunning opnieuw met drie jaar, 'derhalve tot en met 30 September 1936' en bracht Mombers op de hoogte van de laatste ontwikkelingen. Er waren de laatste tijd nog maar weinig percelen aangekocht, ook omdat de vraagprijzen 'gezien de tegenwoordige tijd' te hoog werden geacht.

Natuurmonumenten aan Mombers, Amsterdam 6 september 1933:

'Wij missen Uw bemiddeling bij al onze plannen en kunt U weer eens tijd vinden met eigenaars te onderhandelen, dan zullen wij natuurlijk van Uw bemiddelen dankend gebruik maken. Groote uitgaven kunnen wij ons jammer genoeg in dezen tijd niet getroosten, doch wij weten hoe sommige perceelen, die voor een goede begrenzing noodig zijn, toch nog wel tegen redelijken prijzen te koop zijn. Wij zullen Peijnenburg vragen dezer dagen eens met u overleg te plegen om na te gaan wat in de eerste maanden gedaan zou kunnen worden. Binnenkort hopen wij te Loon op Zand te komen, en dan kunnen wij een en ander hooren.'

Of het nog tot een ontmoeting in Loon op Zand gekomen is, onthult het archief niet. Pas een half jaar later werd de briefwisseling weer hervat, maar dan tussen Amsterdam en Parijs, waar Mombers verblijf hield in een hotel. En zo bleef na het wegvallen van Verhoeven en Mombers alleen Peijnenburg over als degene die de belangen van Natuurmonumenten in en rond de Loonse en Drunense Duinen moest behartigen.

Janus van Iersel en de Onverdeelde Duinen

Naast Mombers en Verhoeven was er nog een derde tussenpersoon die voor Natuurmonumenten als informant optrad en taxatie- en andere werkzaamheden verrichtte die verband hielden met de verwerving van percelen in en rond de Loonse en Drunense Duinen: Adriaan (Janus) van Iersel uit Biezenmortel bij Udenhout. Ook met deze plaatselijke vertrouwensman voerde Natuurmonumenten een geregelde correspondentie, die vooral betrekking had op de zogenaamde Onverdeelde Duinen (ook wel Onverdeelde Duin genoemd), een gebied bij Giersbergen dat in de zeventiende eeuw in het bezit was geraakt van vele personen zonder dat het werd verdeeld onder de rechthebbenden, vandaar de benaming Onverdeelde Duinen. De eigenaren ervan voerden ieder jaar overleg in De Rustende Jager over wat er met het hout moest gebeuren; de opbrengst verdeelden zij onder elkaar. De eerste aankoop in de Loonse en Drunense Duinen door Natuurmonumenten - in 1921 - had betrekking op deze Onverdeelde Duinen, te weten het 1/8e aandeel daarin van Cornelis en Jan Martens. Door behoedzaam onderhandelen en met de hulp van Janus van Iersel werd in de jaren daarna een meerderheidsbelang in de Onverdeelde Duinen verkregen. Maar daarmee was het karwei nog niet geklaard. Terwijl Van Iersel, samen met Peijnenburg, probeerde om de aandelen van elk 1/16e te verwerven van een tweetal verwante Udenhouters (De zoon van een van hen: 'We zijn familie van elkaar, den eenen verkoopt het niet zonder den anderen.') onderhandelde Mombers met een landbouwer uit Giersbergen die 1/4e aandeel bezat en waarover hij had horen zeggen: 'Met hem komt ge niet klaar, daar zal een zware wijs op gaan.' Wat dat in de praktijk verder kon betekenen, blijkt uit Mombers’ brief van 18 oktober 1929: 'Hedenmiddag erop uit geweest: onverd. duinen. Het zal u genoegen doen te vernemen, ik meen deze zaak een flinke stap in de goede richting heb gebracht. (...) Om niets ten halve te doen, ben ik nog ad pedes apostolorum [te voet] naar Giersbergen gegaan, ofschoon den avond viel, het regende en heen en weer 2 uur tippelen, maar ik weet hoe u dit waardeert.' Een maand later kon hij het resultaat melden: zijn pogingen waren 'met succes bekroond, het is er door'. De onderhandelingen met de beide Udenhouters verliepen aanzienlijk stroever en op een bepaald moment werd besloten de zaak maar te laten rusten. Ook de inschakeling van een externe deskundige leidde tot niets. Mombers hierover in zijn brief van 6 september 1932 aan voorzitter 'mr. P.G. van Tienhoven': 'Die mijnheer advocaat uit den Haag, die overgekomen was, om die onverdeelde boel in de Giersbergsche duinen tot een oplossing te brengen, heeft zijn aantekeeningen zeker netjes opgeborgen, ten minste daar hoorde ik niets meer van.' Uiteindelijk konden in 1935 ook deze beide aandelen aan het bezit van Natuurmonumenten worden toegevoegd. Maar nog steeds was de Vereniging geen volledig eigenaar van de Giersbergsche Duinen, zoals Mombers het gebied gaandeweg was gaan noemen. Het was de Brusselse familie Van der Aa die, hoewel zij niets aan haar bezit had, niet wenste te verkopen. Van Iersel kreeg uit Amsterdam het advies om in de Onverdeelde Duinen zuinig te zijn met kappen, 'dan levert het weinig geld op en verkoopt hij het des te eerder aan ons'. Die verkoop zou - alle verdere inspanningen ten spijt - nog enkele tientallen jaren op zich laten wachten; pas in 1972 zou de familie Van der Aa afstand doen van haar 1/8e aandeel.

Werk- en beplantingsplannen

De hoofdtaak van een boswachter is natuurlijk het dagelijks beheer. Jaarlijks maakte Peijnenburg een 'Werkplan en Begrooting voor de uit te voeren werkzaamheden in het komende seizoen'. Het seizoen liep van 1 september tot en met 31 augustus. Het werkplan 1932/33 voor het 'Landgoed Loonsche en Drunensche Duinen' laat zien welke werkzaamheden het bosbeheer zoal met zich meebracht:
1) op diverse plaatsen dunnen van dennenbossen voor de houtverkoping;
2) plantgaten maken;
3) planten en dennen inboeten (bijplanten op dunbezette plaatsen);
4) spitten etc. in de kwekerij;
5) de kwekerij schoonhouden;
6) eikels verzamelen;
7) bomen opsnoeien langs de kwekerij;
8) eikenhakhout hakken (bij strenge vorst als het andere werk stil ligt);
9) wegen en brandstroken schoonmaken ter beperking van het brandgevaar;
10) onvoorzien;
11) rijloon voerman en paard om plantsoen (aanplant van jonge bomen) uit de kwekerij te vervoeren, etc.;
12) kunstmest voor de kwekerij.
Het totaalbedrag van de begroting bedroeg ƒ 1710,-.

foto Schuur en kwekerij

De werkplannen waren tevens beplantingsplannen met voorstellen voor de aanschaf van plantmateriaal: overwegend naaldbomen, zoals lariks leptolepis, groene douglas, fijnspar en Corsicaanse den, doch ook loofhout, waaronder witte els en tamme kastanje. Deels was dit plantgoed bestemd voor de eigen kwekerij, waar de jonge boompjes opgroeiden tot ze groot genoeg waren om op de bestemde plaats geplant te worden. Het plantmateriaal werd gekocht bij een particuliere kweker, meestal de firma Dictus in Zundert.
Bij het aantreden van Peijnenburg als boswachter was de tijd voorbij dat alleen grove den op de arme zandgronden werd aangeplant. Waar mogelijk werd variatie aangebracht in de beplanting, vooral snelgroeiende boomsoorten als de douglas en de lariks en ook de Corsicaanse den waren populair.

Door 'mooie natuur' te maken kregen de leden van de hogere klassen zo oog voor de rust en schoonheid die van de natuur kon uitgaan. Zo werd gestreefd naar woeste gronden die zowel mooi als winstgevend waren. De prijs van dennenhout was namelijk goed. Het werd in de Limburgse mijnen als stuthout gebruikt. Vooral het hout van de grove den was daar zeer geschikt voor, omdat het luid kraakte voor het brak. Dat gaf de mijnwerkers de tijd om weg te komen, voordat een mijngang instortte. Vergeleken met de saaie negentiende-eeuwse 'grove dennenakkers' was het meer gevarieerde bosbeheer in Peijnenburgs tijd vernieuwend. Inmiddels zijn de omstandigheden weer totaal anders. De houtproductie is nu verliesgevend en als gevolg van gewijzigde inzichten wordt voor een 'natuurlijker' bosbeheer gekozen. Dood hout blijft in het bos achter, zodat de insecten en paddenstoelen meer kansen krijgen. Nieuw is de voorrang die inlandse houtsoorten genieten. Bomen die hier van nature thuishoren, zoals berk en eik, krijgen meer ruimte en ongewenste boomsoorten worden teruggedrongen, zoals grove den, douglas, lariks en Amerikaanse eik en Corsicaanse dennen. Zo worden de bossen in de Loonse en Drunense Duinen langzaam maar zeker in een meer natuurlijke staat gebracht.

Het werkplan 1934/35 bevatte als toelichting: 'De grootere Larix en Douglas is bestemd voor het terrein achter den Horst, deze moeten groot genoeg zijn om niet door de konijnen afgevreten te worden daar het niet in mijn bedoeling ligt om dit terrein met gaas af te zetten, als het niet hoog noodig is. Ik ben n.l. bang voor vernieling of weghalen van den gaas, zoo dicht bij Kaatsheuvel en waar dagelijks zoo veel kwajongens langs moeten komen.'

De uitvoering van de werkplannen werd grotendeels aan Peijnenburg overgelaten. Met het toezicht op afstand - vanuit Amsterdam - kon dat ook moeilijk anders. In de brieven van Natuurmonumenten kwam een grote variatie aan onderwerpen aan de orde, zoals de lezer hierna nog zal zien, doch slechts bij uitzondering ging het over het terrein- en bosbeheer. Dat was een onderwerp voor de bezoeken van Van Tienhoven of een van zijn medewerkers, zoals onder meer blijkt uit een brief aan Peijnenburg met de aankondiging dat de heer Drijver op zaterdag 2 november 1935 naar Loon op Zand zou komen om de werkzaamheden voor de komende winter te bespreken. Er is één bezoekverslag, dat aanwijzingen bevatte voor de boswachter: hem werd op het hart gedrukt dichter te zaaien om gras en bunt en kweek te onderdrukken, hij moest de dennen langs de wegen nabij de Oude Huisplaats laten staan en in het verbrande stuk goed toezien dat men de bovengrond boven liet en de buntplag onder, want die verteerde wel. Zulke bezoeken waren er hooguit twee of drie per jaar. Peijnenburg kon in de dagelijkse praktijk de werkzaamheden organiseren zoals een kleine zelfstandige. Met een grote mate van vrijheid dus, maar daar zaten ook nadelen aan. Niet alleen stond hij er helemaal alleen voor als er iets aan de hand was, hij moest ook te allen tijde paraat zijn, dag en nacht, zeven dagen in de week, zeker bij brandgevaarlijk weer. En altijd wachtte na het werk en het toezicht in het natuurgebied de administratie thuis: het schrijven van de brieven naar de Vereniging in Amsterdam en de vele bijkomende administratieve werkzaamheden, waaronder de loonadministratie van de bosarbeiders plus de wekelijkse loonbetalingen, de incasso van de opbrengsten van de houtverkopen, het opmaken van maandrapporten van de verkopen, het overige kasbeheer, de belastingzaken, de administratieve afhandeling van ziekten en ongevallen van het personeel, het bijwerken van de boekhouding, het maken van de weeklijsten van inkomsten en uitgaven, het opstellen van het werkplan en de begroting, enzovoorts, enzovoorts.

Na de indiening van het werkplan 1933/34 wilde Natuurmonumenten met Peijnenburg bespreken of er niet bezuinigd kon worden. 'We moeten onze terreinen in deze tijd zo zuinig mogelijk beheren. Is het nodig dat heel de zomer twee arbeiders nodig zijn in de Loonse Duinen?' Boswachters van Natuurmonumenten konden naar behoefte tijdelijke of los-vaste krachten in dienst nemen, waarbij de arbeider per dag of per uur werd uitbetaald en zijn ontslag kreeg zodra het werk gereed was of vanwege de weersomstandigheden moest worden stilgelegd. Peerke Verhoeven was zo'n los-vaste kracht. Op het gemeentehuis stond hij ingeschreven als Peter Verhoeven, geboren te Udenhout op 10 juli 1871 (en overleden te Loon op Zand op 7 februari 1952). Hij was getrouwd met zijn werk en dat werk was het landgoed Westloon, waar hij voorheen opzichter was geweest. Als het nodig was surveilleerde hij er, ook op zon- en feestdagen. Peerke had dus al bijna de pensioengerechtigde leeftijd bereikt, met dien verstande dat er in de jaren dertig nog geen recht op AOW of pensioen bestond. Toen er werk gedaan moest worden in de 'bossen van de Koning' - oostelijk van De Rustende Jager, richting Giersbergen - was het voor hem ondoenlijk om die afstand vanaf zijn woning aan de Weteringstraat te Loon op Zand te voet af te leggen om daar de hele dag de bossen te dunnen en dan 's avonds weer te voet terug te moeten. Peijnenburg stelde Natuurmonumenten hiervan in kennis. 'Als u het goed vindt tenminste' zou hij voor dit werk de zoon van Klijn en nog een tweede tijdelijke arbeider in dienst nemen. Amsterdam vond het goed. Peerke kon in Loon op Zand blijven voor lichtere werkzaamheden, onder andere in de kwekerij in Westloon, wat hij tot in de oorlogsjaren zou blijven doen. Maar nu eerst zijn belevenissen die hem landelijk in het nieuws brachten.

De roofoverval op Peerke Verhoeven

In de nacht van 8 op 9 februari 1935 vond omstreeks drie uur een roofoverval op Peerke Verhoeven plaats door een viertal gemaskerde mannen. Zij hadden zich toegang verschaft tot zijn woning, hem aan handen en voeten vastgebonden, een prop in zijn mond gestopt en het huis van onder tot boven doorzocht op spaarcenten. Toen ze niets konden vinden, hebben ze het slachtoffer net zo lang bedreigd met het in brand steken van zijn huis, hem mishandeld door brandend papier onder zijn blote voeten te houden en een touw om zijn hals gebonden, dat hij ten einde raad de plaats van bewaring van zijn geld, ƒ 200,-, aanwees. Het slachtoffer gekneveld en gebonden achterlatend, vertrokken de daders met het geld. Zo heeft Peerke daar vier uur gelegen, totdat voorbijgangers zijn hulpgeroep hoorden. Geheel overstuur is hij door de dokter onderzocht, maar die heeft niets ernstigs gevonden. Aldus het relaas van Peijnenburg aan Natuurmonumenten in Amsterdam, die haar bosarbeider een brief met bemoedigende woorden stuurde.

Natuurmonumenten aan Peerke Verhoeven, Amsterdam 11 februari 1935:

'Uw vrienden te Amsterdam zijn zeer getroffen door den schandaligen overval op U gepleegd door de laffe misdadigers, die U hebben overrompeld. Ik hoop, dat gij de kracht zult hebben om den sterken schok van Uw zenuwgestel te boven te komen en dat gij spoedig weer rust en kracht teruggevonden zult hebben om U te kunnen wijden aan de zorg van onze Loonsche Duinen. (...) Alle kranten staan vol van U en heel Nederland verafschuwt de ellendige daad, waarvan gij het slachtoffer zijt geworden.'

In de Algemene Ledenvergadering van de Vereniging op 16 maart vroeg de secretaris aandacht voor wat 'onze Peerke Verhoeven' was overkomen: 'In de Loonsche Duinen hadden wij het groote verdriet, dat een van onze trouwste arbeiders en op zichzelf een merkwaardige persoonlijkheid, onze Peerke Verhoeven, in den nacht van 8 op 9 Februari op wreede wijze werd mishandeld en beroofd van zijn spaarpenningen. Wij doen een beroep op uw medewerking om hem schadeloos te stellen.'

Op dat moment had Peerke het werk allang weer hervat. Het politieonderzoek gebeurde door gemeenteveldwachter Van der Steen, rijksveldwachter Pulles en inspecteur Van Helsland. Een van de misdadigers was de beruchte Lambertus Vos uit Oss, bijgenaamd Bijs de Sijp. Precies een jaar na de overval kreeg Peerke bezoek van enkele daders, maar dit keer niet als inbrekers die geld wilden zien. Nee, nu kwamen zij berouwvol hun aandeel in de buit, ƒ 50,-, terugbrengen.

Minnende paartjes

Een niet altijd aangename taak van de boswachter was het houden van toezicht en het handhaven van de regels waar de bezoekers van de Loonse en Drunense Duinen zich aan dienden te houden. Peijnenburg had al sinds 1926 een aanstelling als onbezoldigd rijksveldwachter en daarmee de bevoegdheid om bij overtredingen een proces-verbaal op te maken. Dat gebeurde overigens ook door de in de omgeving van de Loonse en Drunense Duinen werkzame gemeente- en rijksveldwachters, waaronder rijksveldwachter Pulles. Dit was vooral een minder aangename taak voor Peijnenburg wanneer het slachtoffer achteraf in Amsterdam ging klagen, zoals de inwoner van Woudrichem, die op 14 juni 1931 bij de Roestelberg door Pulles was bekeurd omdat hij zich buiten de wandelpaden had bevonden. Het gezelschap waar hij deel van uitmaakte zou het terrein niet vanaf een wandelpad hebben betreden en daarom het bordje 'Verboden Toegang buiten de Wandelpaden' niet hebben opgemerkt. Verontwaardigd bracht hij naar voren dat op de zandheuvels honderden kinderen zich hadden vermaakt, wat toch ook buiten de wandelpaden was, maar dat werd kennelijk 'oogluikend' toegestaan. Ook exploitant Vissenberg van Café Restaurant Huize Roestelberg stuurde een brief naar Amsterdam waarin hij zich erover beklaagde dat zijn zaak veel schade ondervond van de vele bekeuringen van wandelaars, 'meest minnende paartjes'. Peijnenburg, die de zaak moest onderzoeken, deelde mee dat wanneer een rustige wandelaar zich buiten de paden bevindt, daar niets van wordt gezegd. Maar in dit geval ging het om drie paartjes buiten de voetpaden, die bovendien lagen te roken, te midden van half opgerookte sigaretten en lucifers. En wat de caféhouder betreft, die was er alleen op uit zoveel mogelijk klanten te winnen voor zijn zaak. Natuurmonumenten wees betrokken inwoner van Woudrichem op de noodzaak van handhaving van de regels. Men moest natuurlijk waken voor brandgevaar, stroperij, enzovoorts. Ook Vissenberg kreeg een brief, waarin hem verzocht werd de bezoekers op de regels te wijzen teneinde onaangenaamheden te voorkomen. Deze bleef echter bij zijn klacht dat het voor hem zeer onaangenaam was dat 'minnende paartjes' werden achtervolgd die 'voor het meerendeel zeer nette en Natuur lievende menschen' waren. Graag wilde hij de toestand ter plaatse persoonlijk uiteen zetten. Van Tienhoven vereerde hem met een bezoek en vond hem een 'onaangename waard', die niet hoog aangeschreven stond en nogal afwijkende seksuele opvattingen had.

Van zijn kant wees Vissenberg erop dat hij graag bereid was de Vereniging te steunen en nieuwe leden te werven. Graag zou hij een propagandaplaat voor de Loonse en Drunense Duinen ontvangen. Natuurmonumenten zond hem daarop een vijftigtal 'geschriftjes' van de Vereniging en bestelde een tekening bij een kunstenares te Heemstede met als aanwijzing: 'Als typische vogelfiguren zouden daarvoor kunnen dienen een korhoen, een groene specht, of een wulp.' Betwijfeld mag worden of die propagandaplaat er is gekomen. Het was al weer een paar jaar later toen een opmerkzame bezoeker erop wees dat bij De Rustende Jager wel een 'beschaafde reclame voor Uwe Vereen.' hing, maar bij De Roestelberg niet en dat was toch 'de voornaamste invalspoort' voor de Loonse en Drunense Duinen.

In tegenstelling tot de andere horecagelegenheden rond de Loonse en Drunense Duinen bleef Natuurmonumenten klachten krijgen over onterechte bekeuringen in de buurt van De Roestelberg. Toen een inwoner van Gorinchem een klacht indiende, kreeg Peijnenburg de vraag voorgelegd of in dit geval niet tot intrekking kon worden overgegaan, anders kon het voor het slachtoffer enigszins pijnlijk worden, hij was namelijk een antirevolutionair raadslid.

Zedenverwildering

In de zomer van 1933 bracht het Nieuwsblad van het Zuiden een bericht onder de alarmerende kop 'Hedendaagsche Zedenverwildering, Naaktlooperij in de Loonsche Duinen. De Overheid grijpe krachtig in', waar Peijnenburg niet blij mee zal zijn geweest.

'Men meldt ons uit Udenhout:
Reeds meerdere malen waren ons klachten ter oore gekomen, dat de Loonsche Duinen, eertijds een bekend en gezocht uitspanningsoord voor kinderen, waren herschapen in een plaats van banaliteit, waar allerlei elementen op hun manier ontspanning zochten in de vrije natuur. We hebben ons ter plaatse begeven en over Udenhout, via de Loonschen weg bereikten we café de Hooimijt en iets dichter bij de duinen, café Bosch en Duin.
Reeds aanstonds moesten wij constateeren, dat de ons bereikte geruchten, niet op onwaarheid berustten, want in de café's bevonden zich n.b. dames en heeren vroolijk gekleed in "badcostumes", alsof het zoo hoorde, terwijl er kilometers in den omtrek geen water is, zonder 't minste schaamtegevoel met drukte en praats, plus de overtollige nonchalance, ook in deze kleeding.
Doch verder hebben we onze speurtocht voortgezet. We zijn de Duinen ingetrokken, doch moesten helaas erkennen, dat wat zich daar afspeelt, wat zich daar als de gewoonste zaak der wereld voordoet, iedere beschrijving, wil die niet naar de pornografie overgaan, te boven gaat. Gewoonweg ongehoord, ondenkbaar, niet alleen schunnig, maar vuil en beestachtig. Heeren, in zooverre daarmede leden van 't mannelijk menschelijk geslacht worden aangediend, die in loshangend badcostuum, zelfs ook zonder, z.g. zonnebaden nemen, liggend in 't zand of tusschen de boschjes, in gezelschap van "dames", in dito badcostumes, of enkel en alléén, in een onderjurkje. Dergelijke gezelschappen bevinden zich overal verspreid, tegen de zandheuvels of tusschen 't houtgewas en de rest kan men begrijpen.'

Deze rapportage gaat zo nog even door, waarna de verslaggevers zich geërgerd en verontwaardigd afvragen hoe deze 'onbeschaamde vuiligheid' in ons Brabant kan bestaan en toegelaten wordt. De gemeentebesturen van Udenhout, Loon op Zand en Drunen dienden met spoed en resoluut een radicaal einde te maken aan deze 'ongekende bandeloosheid'. In ieder geval waren nu de ouders uit Tilburg en omgeving bij deze ernstig gewaarschuwd hun kinderen onder geen enkele voorwaarde naar de Loonse Duinen te sturen.

Peijnenburg aan Natuurmonumenten, Loon op Zand 20 augustus 1933:

'Zooals U Edele misschien al reeds vernomen zult hebben heeft er hier in het Nieuwsblad van het Zuiden te Tilburg d.d. 7 Aug. 1933, een bericht gestaan betreffende de Heedendaagsche Zedenverwildering en Naaktloperij in de Loonsche Duinen. Wat het geschrijf in bedoeld blad betreft is mijn inziens zeer sterk overdreven, daar er hier in de Duinen geen sprake is van naaktlooperij, althans dit is door mij nog nooit waargenomen en ook niet door andere dienstdoende Politie. Wel is hier sprake van het nemen van Zonnebaden in badcostumes, doch dit is hier zonder speciale Politieverordening niet strafbaar.
Het gevolg van dit geschrijf in bedoeld blad is dat er thans zeer scherp Politietoezicht gehouden wordt in de Duinen en er verschillende Procesverbaals worden opgemaakt voor het zich bevinden buiten de wegen of paden enz.'

In de jaren dertig leidde de angst voor onzedelijkheid tot een scherper politietoezicht. Vooral behoudende katholieke organisaties zoals Voor eer en deugd oefenden druk uit op gemeenten en de rijksoverheid om op te treden tegen de vermeende 'zedelijke verwording en verwildering' door het uitvaardigen van allerlei beperkende bepalingen waarvan vooral de arbeidersklasse de dupe was, zoals een verbod op gemengd zwemmen en drooglegging van de kermis. Binnen de katholieke zuil waren zelfs voorstanders van het aan banden leggen van gemengd wandelen in de natuur. Het kabinet Colijn riep de gemeenten op een eind te maken aan 'excessen' in het bad- en zwemleven. Kritiek werd geuit op badkleding die niet welvoeglijk was. De minister was vooral beducht voor zedenverwildering onder de opgroeiende jeugd en riep gemeenten op regels te stellen en te handhaven. De gemeente Loon op Zand had overigens al jaren eerder, bij brief van 21 april 1927, er bij Natuurmonumenten de aandacht op gevestigd dat De Roestelberg en omliggende Loonse Duinen 'tijdens de zomermaanden veelal bezocht worden door een bandeloos publiek, dat zich ter plaatse niet alleen te buiten gaat aan verregaande immoraliteit, doch welke aanwezigheid in de bosschen en beplantingen vernieling en brandgevaar zoozeer vreezen doet'.

foto Ontspanning Roestelberg

De Vereniging kreeg het verzoek om aan een goed politietoezicht mee te werken door haar bezitting bij de Roestelberg 'voor het publiek af te sluiten'. Zo ver zou het niet komen, maar Peijnenburg zat er toch maar mee. Op Hemelvaartsdag 1934 kregen tientallen bezoekers in de omgeving van De Roestelberg een proces-verbaal; exploitant Vissenberg stuurde een nieuwe protestbrief naar Natuurmonumenten, waarin hij beweerde dat zijn bekeurde klanten merendeels onkundig waren van de toestand ter plaatse en niet wisten dat zij zich niet buiten de wegen en paden mochten bevinden. En dat terwijl hij zich uitsloofde voor de Vereniging door het werven van leden en het voorkomen van brand, vernieling, enzovoorts. De politie en de overheid beschuldigde hij van een laakbare houding en machtsmisbruik. Vertrouwend op een grondig onderzoek sloot hij zijn brief van maar liefst vier kantjes af met: 'Ieder vogeltje zingt naar gelang hij gebekt is, en U hebt hier misschien niet met de mooiste vogel te doen, maar denk er om, dat hij een eerlijk en mooi lied zingt.'

Peijnenburg aan Natuurmonumenten, Loon op Zand 18 mei 1934:

'Ingesloten zend ik U Edele den brief van Vissenberg van de Roestelberg weer terug met de noodige toelichting.
Het is inderdaad juist dat de Gemeente en Rijks Politie op Hemelvaartsdag in de omgeving van de Roestelberg verschillende bekeuringen hebben gemaakt, ik meen dat er ongeveer 60 procesverbaals zijn gemaakt waarvan ook een gedeelte op onze terreinen.
Het straf optreden van de Politie is ook mede een gevolg van een Justitieel rondschrijven van vorig jaar om de zoogenaamde zedenverwildering tegen te gaan.
Het is geenszins de bedoeling van de Politie om alle, ook goedwillende bezoekers, die daar komen om werkelijk van de Natuur te genieten, maar direkt te bekeuren, want dan zouden zij er honderden kunnen bekeuren.
De bedoeling van de Politie en ook van onze Burgemeester is, om alleen die menschen te bekeuren, die zich met een of andere bedoeling ver buiten de wegen en paden bevinden, in de dichte dennen boschjes zich verstoppen (in hoofdzaak verliefde paartjes) en daar dan oneerbare handelingen er op nahouden en dan vaak ook zeer roekeloos zijn met rooken, wat in zulk geval ook zeer gevaarlijk is.'

Peijnenburg had het niet zo erg begrepen op Vissenberg. Van diens uitsloven voor de Vereniging had hij nooit iets gemerkt en van wat verder in de duinen voorviel trok de exploitant van de Roestelberg zich niets aan 'als hij de centen maar binnen krijgt'.
De Gorcumer plaatste een ingezonden brief met als kop 'De Roestelberg. Ernstige waarschuwing'. Zij die de komende Pinksterdagen de Roestelberg wilden bezoeken, werden daarin bij voorbaat gewaarschuwd dat zij argeloos in de val kunnen lopen van de politie die daar zonder waarschuwing bekeuringen uitdeelt, zoals met Hemelvaartsdag was gebeurd 'met veel schade voor de neringdoenden ter plaatse'. Driemaal raden naar de inzender. Desondanks werden op Tweede Pinksterdag weer bekeuringen uitgedeeld aan paartjes, waar kinderen van veertien tot zeventien jaar bij waren, wegens 'meer of minder schaamtelooze onzedelijke handelingen'.

Peijnenburg aan Natuurmonumenten, Loon op Zand 3 juni 1934:

'Indien hier in de omgeving van de Roestelberg niet straf wordt opgetreden tegen de zedeloosheid, dan zal spoedig het goede Publiek wegblijven, en wij met de minderwaardige opgescheept blijven.
Gelukkig hebben wij gisteren hier flink wat regen gehad na al die droogte zoodat wij weer enkele dagen van boschbrand zijn gevrijwaard.'

Peijnenburg zal wel blij zijn geweest met die regen.
Op aandringen van Vissenberg werden dan uiteindelijk toch extra borden geplaatst bij de ingangen van de Roestelberg, ook al had Pijnenburg zo zijn twijfels of dat wel de oplossing was.

Peijnenburg aan Natuurmonumenten, Loon op Zand 22 juli 1934:

'Wat het niet zien van de borden betreft wordt vaak ook veel overdreven, b.v. ik heb ooit personen aangetroffen die wel hebben gezien dat ze niet mogen rooken, andere hebben wel gezien dat ze geen tenten mogen plaatschen en j.l. zondag waren er ook die wel hadden gezien dat ze niet mochten rooken en geen tenten mogen slaan, maar dat zij niet buiten de paden mogen komen hadden zij niet gezien, hoewel dit op het zelfde bord staat tusschen de andere twee verbodsbepalingen in. Over het algemeen weten de bezoekers de verbodsbepalingen wel, doch als ze het een of het andere overtreden weten ze dit juist niet, zoo houden zij zich tenminste.'

Peijnenburg kreeg gelijk. De klachten bleven. Zelfs de Kon. Ned. Toeristenbond ANWB klom in de pen toen een bondslid uit Dordrecht was geverbaliseerd wegens het zich bevinden buiten de wegen en paden. En dat terwijl in het landgoederenboekje van de ANWB stond: 'Drunensche Duinen - Vrij toegankelijk'. Er volgde een uitgebreide briefwisseling tussen het slachtoffer, de ANWB, Natuurmonumenten en Peijnenburg. Deze laatste had een brief van vier kantjes nodig om de 'zaak Mr. Mijnlieff' uit de doeken te doen en tot de conclusie te komen dat de klacht 'geheel ongegrond' was. Een afgevaardigde van de ANWB kwam daarop naar Loon op Zand, waar hij zich door de Rijksveldwachter liet rondleiden. Tenslotte volgde een onderhoud op het kantoor van de Vereniging met de directeur van de ANWB; de toedracht werd 'volkomen opgehelderd'. Betrokkene, woonachtig in Dordrecht, was niet bekeurd in het stuifzandgebied, maar in de bossen, ver van de weg. Toch zou de ANWB voor alle duidelijkheid in haar wandelgids achter de woorden 'Drunensche Duinen - Toegang vrij' opnemen: 'Voorzoover de beboschte terreinen betreft wordt strict de hand gehouden aan de bepaling dat men zich niet buiten wegen en voetpaden mag begeven.'

Werkverschaffing en de ijsbaan

De jaren dertig waren de jaren van economische crisis en werkloosheid. Door werklozen aan het werk te zetten in de natuur en op 'woeste gronden' probeerde de overheid de uitgaven voor steun productief te maken. Zo werd bijvoorbeeld veel bos aangelegd op heidegronden. Gemeenten maakten veel gebruik van deze vorm van werkverschaffing aan hun werklozen. Het werk werd zo arbeidsintensief mogelijk uitgevoerd. Een bekend project is het Amsterdamse Bosplan van Jac. P. Thijsse uit 1934, het jaar van de Jordaanopstand die het gevolg was van een forse verlaging van de steunuitkeringen en die met kracht werd neergeslagen. Ook Loon op Zand had een bosplan: de aanleg van de ijsbaan, waarbij zich wel een staking voordeed, maar geen bloedige onlusten zoals in de hoofdstad van ons land.

In het najaar van 1932 kreeg Natuurmonumenten de vraag voorgelegd of het mogelijk was om werklozen in werkverschaffing arbeid te laten verrichten op de terreinen van de Vereniging binnen het grondgebied van de gemeente Loon op Zand. De gemeente dacht daarbij aan boswerkzaamheden en de aanleg van paden en wegen ter voorkoming van bosbranden. Het antwoord van Natuurmonumenten was positief, maar wel enigszins terughoudend. Er lagen geen plannen om veel werkzaamheden te laten uitvoeren, nu de inkomsten uit het bosbeheer aanzienlijk waren teruggelopen. Bovendien was het niet de bedoeling om bij beplanting het perceel vooraf te egaliseren, omdat men met de natuurlijke toestand van de bodem rekening wenste te houden. Maar misschien konden toch enkele werkzaamheden worden uitgevoerd, indien de kosten gedeeltelijk van overheidswege gedragen zouden worden. Het was echter aan de gemeente om een aanvraag voor rijkssubsidie in te dienen. Uit dit laatste moest blijken dat er van de kant van Natuurmonumenten aan de tewerkstelling van werklozen generlei eigen belang was verbonden.
Er gebeurde maandenlang niets tot de gemeente Loon op Zand begin 1933 opnieuw een brief naar Amsterdam stuurde waarin zij erop wees van hoeveel belang het was dat voor de werklozen arbeid werd gezocht om hen door werkverschaffing bezig te houden. Nogmaals werd verzocht om na te gaan of er geen nuttige werkzaamheden waren, zoals bebossingen, beplantingen en het maken van wegen ter bestrijding van bosbranden. De gemeente zou een conferentie met de Vereniging ten zeerste op prijs stellen en gaf er de voorkeur aan dat deze op het terrein zelf plaats had. Niet bekend is waar en wanneer deze bespreking heeft plaatsgevonden, wél dat van de zijde van de gemeente het plan is voorgelegd om een ijsbaan aan te leggen op het terrein van Natuurmonumenten, die daarmee heeft ingestemd. Nadat nader overleg in enige bijstellingen van het plan had geresulteerd, kon al medio maart 1933 een begin worden gemaakt met het graafwerk. Zo'n 50 à 60 werklozen werden aan het werk gezet om het terrein 75 à 90 cm uit te graven, een diepte die voldoende zou zijn voor water. Na enkele weken spitten hebben de tewerkgestelde arbeiders het werk gedurende enige tijd neergelegd; de staking ging vermoedelijk over een loonkwestie. Voor een tienurige werkdag werd in de werkverschaffing ƒ 2,50 per dag betaald plus kindertoeslag, wat 'onder de gebruikelijke standaard' was. Daar kwam nog bij dat deze arbeiders op drukke zondagen bij brandgevaarlijk weer erop moesten toezien dat er door de bezoekers niet gerookt werd en in geval van bosbrand dienden zij te helpen met het blussen.
De gemeente ontving van het Rijk een bijdrage van 75% voor dit werkverschaffingsproject. Het college van Burgemeester en Wethouders was met Natuurmonumenten een huursom van ƒ 25,- per jaar voor het gebruik van het terrein overeengekomen. De gemeenteraad vond dat bedrag kennelijk te hoog en drong aan op vermindering. In een ingezonden brief in een plaatselijk blad nam een inwoner het op voor het college van B&W: de inwoners verlangen al jaren naar een ijsbaan, die er nu gaat komen, mooi gelegen in de bossen, en nu krijgen B&W kritiek in plaats van hulde!
In oktober 1933, na meer dan een half jaar gegraven te hebben, waren de werklozen klaar en stond er 25 à 30 cm water in de ijsbaan. Alleen de beplanting eromheen was nog niet klaar.

Behalve het graven van de ijsbaan werd door werklozen spitwerk gedaan voor de aanleg van een nieuwe kwekerij voor Natuurmonumenten. Toen deze werkzaamheden naar genoegen waren uitgevoerd vond een bezoek plaats van bestuurslid Drijver van Natuurmonumenten, waarbij mogelijke nieuwe klussen in beeld kwamen.

Peijnenburg aan Natuurmonumenten, Loon op Zand 7 november 1933:

'Bijgaand zend ik U Edele de opgaven van de schoon te maken wegen welke voor werkverschaffing in aanmerking komen en welke ik reeds aan de Gemeente heb opgegeven.
Zooals U in bijgaande opgaven ziet heb ik nog 3 wegen nabij de Oude huisplaats bij mijn vorige opgaven toegevoegd waarvan ik bij het bezoek van den Heer J. Drijver nog over gesproken heb en welke gezien de gunstige omstandigheden ook wel eens een goede beurt noodig hebben.
Tevens sluit ik hierbij in een paar situatie teekenings met opgaven van de totale grootte, voor eventueele te spitten perceelen.
Indien wij zoo als het Wethouder v.d. Horst voorstelde, deze perceelen gratis, of met geringe kosten gespit kunnen krijgen, zou ik voorstellen om van deze gelegenheid zooveel mogelijk profijt te trekken, en deze perceelen dan zoo veel mogelijk door bezaaiing te bebosschen. Hierdoor komt er dan ook eens wat anders als dennen en nog eens dennen.'

De brief bevatte de volgende bijlagen:
1. Een opgave van schoon en brandvrij te maken wegen:
- van de Provinciale weg naar Westloon;
- in de duinen nabij de Oude Huisplaats (het knooppunt van wegen dat bij oudere inwoners van Loon op Zand bekend is als 'bij Hoffmannekes' of 'bij Toontje Hoffman', een verwijzing naar schoenmaker Antonius Hoffman die hier van 1908-1917 in een afgelegen huis heeft gewoond);
- de gemeentewegen die de terreinen van Natuurmonumenten doorkruisen:
- de 'Oude Baan' van Loon op Zand naar Waalwijk en
- de weg van de Roestelberg over de Oude Huisplaats naar de Molenstraat;
- de weg vanaf de burgemeesterswoning naar de ijsbaan.
2. Een opgave met situatietekening van te spitten percelen:
- braakliggende terreinen op Westloon die geschikt waren voor gemengd bos (15.75 ha);
- een perceel achter de burgemeesterswoning nabij Horst, dat niets opleverde en als natuurschoon geen waarde had (ongeveer 2 ha).

Natuurmonumenten was het geheel eens met de voorstellen van de boswachter. De uitvoering van deze werken zou het brandgevaar doen verminderen en het vervoer van plantsoen en hout vergemakkelijken. Samen met de vertegenwoordigers van de gemeente werd een 'aangenaam bezoek' aan betreffende wegen en terreinen gebracht. Het spitten en later het inzaaien of aanplanten van de terreinen zou het landschapsbeeld niet nadelig mogen beïnvloeden. In onderling overleg zouden enige percelen voor tewerkstelling door werklozen aangewezen kunnen worden. Met name werd gedacht aan verbetering van de weg door de bossen naar de ijsbaan met dien verstande evenwel, dat het karakter ervan als zandweg door het bos bewaard moest blijven.
Enige maanden later vond op voorstel van de gemeente een 'nadere conferentie' plaats, waarin zij het voorstel deed om de vorig jaar gegraven ijsbaan uit te breiden en te verbreden. Gebleken was namelijk dat deze voor het houden van wedstrijden niet voldeed. Door de beoogde uitbreiding zou het karakter van de tegenwoordige baan behouden of zelfs versterkt worden. Natuurmonumenten had hiertegen geen principieel bezwaar, daar de gemeente er bijzonder in was geslaagd een plas te doen ontstaan die zich aan het landschap aanpaste.
Wel zou er een afrastering met prikkeldraad of gaas en gecarbolineerde dennenpalen moeten komen in de plaats van het huidige aan de bomen bevestigde prikkeldraad en op de weg bij de hoofdingang - die aan de Vereniging toebehoorde - moest een hek komen voor een behoorlijke toegangscontrole op het bezoek. Dit hek moest na afloop van de winter opgeborgen kunnen worden. De gemeente ging met deze voorwaarden akkoord en zou de gewenste uitbreiding met paaltjes aangeven, zodat Natuurmonumenten zich bij een volgend bezoek op de hoogte zou kunnen stellen. Verder zou de gemeente de nodige stappen bij de Regering gaan ondernemen.

De door Natuurmonumenten voorgelegde plannen voor het schoonmaken van de wegen en het spitwerk stuitten bij de gemeente niet op bezwaren; men wilde het liefst spoedig met de uitvoering beginnen. De heer Oonk, opzichter van de Heidemij, werd op het hart gedrukt om rekening te houden met de wensen van Natuurmonumenten en alles zo goed mogelijk uit te voeren in overleg met de boswachter.
Toch was het een kwestie van geven en nemen. Eigenlijk was het niet de bedoeling geweest van Natuurmonumenten om de terreinen in Westloon te bebossen, maar in verband met de moeilijkheden inzake de werkverschaffing was men bereid om de eigen plannen enigszins te herzien. Tijdens een rondleiding werd met de wethouders L.J. van der Horst en J. van Lier afgesproken dat vanuit de schuur op Westloon het uitzicht op de Loonse kerk en de molen op de Hoge Steenweg behouden moest blijven. Daarnaast had Natuurmonumenten het spitwerk van de onbeboste percelen liever over twee jaar gespreid. Nu er dan toch gespit zou worden, wilde men deze percelen als loofhoutbos aanleggen. Daar immers in Loon op Zand veel dennenbos en weinig loofhout was, zou dit de aantrekkelijkheid ongetwijfeld vergroten.
De in Parijs verblijvende Mombers werd door Natuurmonumenten op de hoogte gebracht van het spitwerk door werklozen bij de schuur in Westloon en het planten van loofhout, wat zeker zou gaan bijdragen aan de verfraaiing van het landschap. 'Wij zijn [daarom] dezen winter weer enkele keeren te Loon op Zand geweest en misten dan onzen vriend en leidsman, maar misschien brengt het mooie weer U spoedig naar Brabants dreven terug!'

Intussen gingen de werklozen door met het spitten van brandstroken en het brandvrij maken van de wegen met als eerste de weg langs de burgemeesterswoning naar de ijsbaan. Peijnenburg had er gemengde gevoelens over. 'Het natuurschoon wordt door dit werk weliswaar niet bevorderd, doch het brandgevaar zal er weer door verminderen en dat moeten wij toch ook in het oog houden.'
Op het terrein van de ijsbaan werd een begin gemaakt met de beplantingswerkzaamheden.

Peijnenburg aan Natuurmonumenten, Loon op Zand 8 april 1934:

'In antwoord op Uw brief van 4 april j.l. kan ik U Edele berichten dat het plantsoen voor de ijsbaan reeds is gekomen en ook reeds gedeeltelijk geplant. Het is maar een klein partijtje plantsoen dat dit jaar geplant wordt, dit met het oog op de voorgenomen vergrooting der ijsbaan. Het plantsoen wat er nu ligt bestaat uit ongeveer 500 eenj. witte els, 500 vogelkers ± 50-75 cm hoog, 500 berk 75-100 cm hoog en 2000 2 j. grove den. Volgens den voorwerker der Heidemij is er op het Gemeente vuilnisterrein nog Amr. eik en Vlier en mogelijk nog wat ander plantsoen beschikbaar voor de ijsbaan.
De grove den is bestemd om een vrij groote open ruimte te beplanten aan de Noordkant der ijsbaan, doch op een behoorlijke afstand van de oevers der ijsbaan, bijv. ongeveer 25 m.'

Natuurmonumenten zou graag rododendrons aanschaffen, doch dat liet de economische toestand van de gemeente Loon op Zand niet toe, deelde wethouder Van der Horst mee. 'Werkverschaffing, steunverleening en armbestuur vragen zeer veel van de draagkracht onzer belastingbetalers.' Het was ontegenzeggelijk waar dat rododendrons het natuurschoon zouden verhogen. Daarom zou hij aan het bestuur van de ijsclub, waarvan hij zelf de voorzitter was, vragen om gelden disponibel te stellen om tot aanplanting ervan over te gaan.
Omdat de regering ditmaal geen subsidie verleende, kwam het plan voor uitbreiding van de ijsbaan op losse schroeven te staan. Dit werd niet alleen door de gemeente en de ijsclub betreurd, maar ook door Natuurmonumenten, die aanvankelijk schoorvoetend haar medewerking had verleend aan het graven van de ijsbaan. Nu men echter gezien had hoe het werk was uitgevoerd, bestond er geen bezwaar tegen vergroting van de baan. In een brief aan de wethouder sprak Natuurmonumenten de hoop uit dat de regering alsnog bereid zou zijn om, evenals vorig jaar, haar steun te verlenen. Men was echter van oordeel dat het niet op zijn weg zou liggen om stappen te ondernemen, omdat de zaak van de werkverschaffing een aangelegenheid werd geacht tussen de regering en de gemeente. 'Bij verdere stappen kunt U mededeelen, dat de Gemeente toezegging van het Dagelijksch Bestuur onzer Vereeniging gekregen heeft tot het beschikbaar stellen van den grond, voor de uitbreiding van de ijsbaan noodig.'

Die uitbreiding zou er echter niet komen. Een heropening van het dossier ijsbaan vond eind 1934 plaats. Peijnenburg, de ogen en oren van Natuurmonumenten in Loon op Zand en omgeving, had aan Amsterdam gerapporteerd dat er in de ijsbaan een pomp geslagen werd om zonodig het water op een hoger peil te kunnen brengen en hij vroeg zich af of daar wel toestemming voor verleend was. Desgevraagd deelde de gemeente mee dat het initiatief tot het slaan van een pomp was uitgegaan van de ijsclub, aan wie de exploitatie van de ijsbaan was opgedragen, dit in de veronderstelling dat daar bij Natuurmonumenten geen bezwaar tegen zou bestaan. Berouwvol werd beloofd dat in het vervolg geen enkel werk op de ijsbaan zou worden opdragen, alvorens daar goedkeuring aan was gehecht door Natuurmonumenten als eigenaar van het terrein. Inmiddels vertrouwde de gemeente erop dat het bestuur van Natuurmonumenten zich met het slaan van de pomp kon verenigen. Het antwoord luidde bevestigend, maar wel onder het voorbehoud dat de uitvoering en plaatsing het natuurschoon niet zou schaden. 'Daaromtrent zullen wij ons gaarne overtuigen bij ons volgend bezoek aan Uwe gemeente.'
Daarop volgde weer een uitgebreide excuusbrief van Van der Horst namens de ijsclub Bosch en duin. Door de aanhoudende droogte van de laatste jaren stond het bestuur voor een moeilijk vraagstuk: een ijsbaan zonder water. Enkele jaren geleden werd op dezelfde plaats geschaatst, hoewel de grond niet uitgegraven was. Ook verleden jaar was er meer dan voldoende water. En nu stond de ijsbaan droog. Zelfs de gracht van het kasteel in Loon op Zand stond droog. Daarom heeft men door een deskundige een buis laten slaan en een motor aangeschaft om water op te pompen. Het was voor het bestuur een erezaak om ervoor te zorgen dat de mensen konden schaatsen. De kosten van de pomp bedroegen ƒ 700,-, waarvoor het bestuur aansprakelijk was. Het natuurschoon zou er geen schade van ondervinden. Gehoopt werd op de goedkeuring van Natuurmonumenten. Deze dankte per omgaande voor de uiteenzetting van de gang van zaken. Men begreep dat de ijsbaan belangrijk was en dat maatregelen nodig waren om het peil van de waterstand in de 'tegenwoordige abnormale omstandigheden' te verhogen. Er bestond geen bezwaar tegen de genomen maatregelen, maar voorafgaand overleg was beter geweest.
'Bij herhaling hebben wij ervaren, dat U een warm verdediger zijt van het natuurschoon Uwer Gemeente en wij zijn er dan ook van overtuigd dat wij op Uw volle medewerking kunnen rekenen bij het opleveren van het terrein in het a.s. voorjaar. Wij willen den wensch uitspreken, dat ook dit seizoen de ijsbaan in gebruik kan worden genomen, een goede ontspanning biedend voor de bevolking der Gemeente.'
Toen het bestuur van de ijsclub - nu onder de naam Mast en Duin - een jaar later, geleerd hebbend van deze ervaring, een tent wilde plaatsen als loket en voor het voeren van bestuursbesprekingen, vroeg het daar netjes toestemming voor: 'Beleefd verzoek ik u mitsdien tot het plaatsen van de tent toestemming te willen verleenen, waarvoor ik U bij voorbaat dank zeg.' Natuurmonumenten gaf toestemming, mits met boswachter Peijnenburg werd overlegd over de inrichting en plaatsing en de tent vóór 1 maart 1936 zou worden verwijderd.

Schets zwembadplan bij ijsbaan

De weigering van de rijksoverheid om subsidie te verlenen voor de uitbreiding van de ijsbaan weerhield de gemeente Loon op Zand er niet van om te blijven zoeken naar werkverschaffingobjecten voor haar werklozen, een moeizame zoektocht die tot het idee van een zweminrichting leidde. Waar was echter een geschikte plaats te vinden? Gelet op het grote geldgebrek van de gemeente streefde zij naar een enigszins rendabele exploitatie. Daarmee viel de meest eenvoudige weg - koop van een stuk grond van particulieren - als te duur af en viel het oog op een reeds bestaand object: de waterpartij van de van Natuurmonumenten gehuurde ijsbaan. Die zou met niet al te grote kosten uit te breiden zijn met een zwembad. Alleen een gering gedeelte van de beplanting zou ervoor moeten verdwijnen. Dit plan met bijbehorende schets legde de gemeente met een verzoek om medewerking voor aan Natuurmonumenten. Die zond het voor advies door naar Peijnenburg en tekende daarbij aan: 'Eerlijk gezegd voelen wij voor inwilliging van deze vraag niet veel, waarbij nog komt, dat de gekozen plaats het verst van den harden weg gelegen is, zoodat er veel geloop en andere drukte in het bosch te verwachten is juist in den brandgevaarlijken tijd.' Zou de noordoostkant van de ijsbaan geen mogelijkheid zijn? Peijnenburg was - om andere redenen - evenmin enthousiast, doch was wel bereid om met de gemeente mee te denken.

Peijnenburg aan Natuurmonumenten, Loon op Zand 26 januari 1936:

'Ook ik voel niet veel voor aanleg van een zwembad, daar dit vanzelf ook weer meer toezicht eist, doch een goede samenwerking met de Gemeente, kan ons ook nog wel eens ten goede komen en dit moeten wij ook in het oog houden.
Wat de gekozen plaats betreft deze kan bezwaarlijk anders vallen, daar dit het laagste punt is, en de door U genoemde plaats juist het hoogste is. De harde weg waarover U schrijft bestaat niet, de Noord-Oostelijke weg is ook maar een zandweg, doch behoort wel in eigendom aan de Gemeente toe. Wat de verdwijning van beplanting betreft, dit is het grootste bezwaar niet, daar dit toch maar, zeer slecht groeiende opslag dennen zijn, welke in de toekomst ook niet zullen groeien.
Het zal het beste zijn deze aangelegenheid eens ter plaatse te komen zien, dan krijgt U Edele vanzelf een betere kijk op de zaak.
Hoe de Gemeente een zwembad denkt in te richten is mij verder nog niets van bekend.'

Na lang wachten stuurde de gemeente een herinneringsbrief en kreeg daarop als antwoord dat Natuurmonumenten een zwemgelegenheid bij de ijsbaan moeilijk in overeenstemming kon brengen met haar streven naar behoud van het natuurterrein in ongerepte staat. In verband met de reeds lang bestaande aangename relatie wilde men toch bezien of een andere oplossing gevonden zou kunnen worden. Er was echter nog geen gelegenheid geweest om de situatie ter plaatse op te nemen. Van een 'conferentie' bij de ijsbaan over een zweminrichting aldaar zou het voorlopig niet komen: het zwembadplan werd in de ijskast gezet en zou daar tot in de oorlog blijven liggen. De ijsbaan bleef natuurlijk - ijs en weder dienende - in gebruik. Eshuis, één van de medewerkers en latere directeur van Natuurmonumenten in Amsterdam, schreef in het verslag van zijn bezoek op 6 januari 1940 aan de 'Loonsche Duinen': 'Op de ijsbaan was men druk bezig de banen in gereedheid te brengen voor de wedstrijden op Zondag. Deze baan tusschen de oude zeedennen is ideaal. 's Nachts had het 16°C. gevroren!'

De natuur bedreigd

Door de werkverschaffing konden dan wel werklozen, zij het tijdelijk, aan werk geholpen worden, er zat ook een keerzijde aan. Veel waardevolle 'woeste gronden' werden er voor opgeofferd. Van Tienhoven sprak er zijn zorgen over uit in zijn brief aan Mombers, die inmiddels was verhuisd van Parijs naar het hooggebergte van de Haute-Savoie, ten zuiden van het Meer van Genève.

Natuurmonumenten aan Mombers, Amsterdam 12 december 1936:

'Wat ons werk betreft, zoo wordt dit steeds moeilijker, omdat het overal invretende kwaad der werkloozenzorg alle mooie natuurterreinen onder handen neemt om deze te veranderen in niets zeggende stukjes cultuurgoed, die dikwijls niet eens uit economisch oogpunt aanbeveling verdienen en dikwijls is het behoud als natuurterrein van grooter waarde voor het Nederlandsche volk dan de omzetting in arme boerenbedrijven. Ook de beken worden onder handen genomen en veranderd in kleine, rechte kanaaltjes en zoo gaat het maar door.'

De werkverschaffingsprojecten zouden voorlopig op grote schaal doorgaan. Er waren gemeenten die woeste gronden gekocht hadden voor tewerkstelling van hun werklozen om er bos- of landbouwgronden van te maken. Zo vernam Mombers dat de gemeente Sprang-Capelle in de buurt van Huis ter Heide een stuk heidegrond van 15 ha had aangekocht. En naast de gemeente Loon op Zand benaderde ook Drunen Natuurmonumenten over de tewerkstelling van werklozen op haar bezittingen op Drunens grondgebied. Peijnenburg sprak erover met de burgemeester. Het ging om spit- en bebossingwerkzaamheden waaraan Natuurmonumenten financieel zou moeten bijdragen. Peijnenburg vroeg advies over wat er geplant zou moeten worden.

Peijnenburg aan Natuurmonumenten, Loon op Zand 10 september 1937:

'Volgens mijne meening, ook met het oog op de Konijnen schaden welke wij daar zeer te duchten zullen hebben, zal het beste zijn hier tweejarige Grove dennen op te brengen, met een brandstrook van loofhout rond elk perceel, van b.v. drie rijen loofhout (Berk, Vogelkers en Am eik).
Het is wel een tegenvaller dat wij nog zooveel in de kosten zullen moeten bijdragen, doch het gaat tegenwoordig niet meer zoo makkelijk om nog gratis werk van de werkloozen gedaan te krijgen.'

Intussen ontstond er discussie binnen Natuurmonumenten over de te volgen koers. Een viertal bestuursleden deed een oproep tot het beleggen van een vergadering over de vraag hoe natuurwetenschappelijk belangrijke terreinen ongerept te bewaren en te beschermen tegen de bedreigingen vanuit de hoek van de werkverschaffing. Eén van hen was bioloog Weevers die contacten had met de instanties die de plannen maakten tot ontginning en ruilverkaveling van woeste gronden en 'minderwaardige' cultuurgronden. Gealarmeerd door de razende snelheid van dit proces vreesde hij dat binnen enkele jaren de laatste grote, uit biologisch oogpunt belangrijke complexen van woeste gronden in ons land onherroepelijk verdwenen zouden zijn. Er vielen harde woorden tussen natuurbeschermers en boeren. Aan de ene kant stonden mensen als Mesu, directeur van de Cultuurtechnische Dienst, die van mening was dat grondeigenaren, die niet tot de ontginning van hun woeste gronden wensten over te gaan, uit hun eigendom ontzet moesten worden in het belang van de gemeenschap en van de boerenstand in het bijzonder. Er waren immers nieuwe boerderijen nodig waar jonge boeren en boerinnen een gezin konden stichten en een bestaan opbouwen. De mensen moesten immers wonen en eten. En een landschap van groene weiden en wuivende korenvelden kon toch ook mooi zijn? Aan de andere kant waren er de belangenbehartigers van de natuur, waaronder organisaties als de Vereniging voor het Behoud van Natuurmonumenten en de provinciale 'landschappen', die steeds meer steun kregen van verontruste leden. Bij de ledenwerving door de Vereniging werden ook de boswachters ingeschakeld. Toen Peijnenburg dokter Smals, huisarts te Loon op Zand, als lid mocht aanmelden, werd hij vanuit Amsterdam gefeliciteerd: 'U zijt de eerste van de boschwachters, die in verband met de circulaires een nieuw lid hebt kunnen winnen. Wij hebben hem in verband met de betaling aan U het bewijs van lidmaatschap reeds toegezonden.' Na zijn vestiging te Tilburg vroeg KNO-arts Van Iersel informatiemateriaal om in de wachtkamer te leggen; hij voelde veel voor de Vereniging en wilde er langs deze weg graag propaganda voor maken. Zulke circulaires, de talloze artikelen in tijdschriften en kranten, lezingen, excursies en boekjes hebben veel bijgedragen tot de liefde en belangstelling voor de natuur en zijn een voedingsbodem geweest voor het verzet in geval van aantasting van die natuur. Daar waren bijvoorbeeld de boekwerken van Koster die ten strijde trok tegen de 'schendende hand van den mens, die uit alles vóór alles nut en profijt wenst te halen'. In twintig jaar was het landschap totaal veranderd. 'Wie onzer kleinkinderen zal dan nog uit eigen aanzien weten te vertellen, wat grote heidevlakten zijn en zandverstuivingen? Wat vennen waren en woeste gronden? Hoe de grillige riviertjes er in al hun kleine pracht uitzagen en hoe aan zich zelf overgelaten meertjes en moerassen en bossen weten te boeien?'
In 'Natuurmonumenten in Nederland' besteedde Koster ook aandacht aan de Loonse en Drunense Duinen, die hij in gezelschap van Peijnenburg had bezichtigd. Positief was hij over de nieuwe bospercelen, waar het oude dennenbestand door gemengd hout was vervangen, hetgeen goede resultaten beloofde. Verbaasd vernam hij van de boswachter dat deze in een tijdsbestek van nauwelijks twintig jaar had waargenomen dat een zandrug zich vijfentwintig tot vijftig meter in zuidwestelijke richting had verplaatst.

Op 18 januari 1938 werd een bijzondere bestuursvergadering gehouden over het probleem van 'natuurschoon of werkverschaffing'. Het bestuurslid Thijsse, als Jac. P. Thijsse bekend van de Verkade-albums, probeerde te voorkomen dat tweespalt ontstond tussen degenen die opkwamen voor het behoud van de natuur. Zelf verhinderd om de vergadering bij te wonen leverde hij een schriftelijke bijdrage aan de discussie: 'En vooral geen tegenstelling van wetenschappelijk belang en recreatieve waarde. In negenennegentig van de honderd gevallen zijn deze dingen één en samen te vatten als natuurgenot. Heerens en Thijsse hebben nooit gedacht aan recreatie en niet eens zoo heel veel aan wetenschap, maar vooral aan natuurgenot en natuursport van het standpunt van de leergierigen adolescent.' Hier sprak de onderwijzer die zo boeiend over de natuur kon vertellen, de grondlegger van de Vereniging tot Behoud van Natuurmonumenten.
We zullen ons niet verder verdiepen in de geschiedenis van deze hoogst interessante en nog altijd actuele maatschappelijke discussie en teruggaan naar Peijnenburgs beslommeringen in het veld.

Een gordel van cafés

In de inleiding is reeds opgemerkt dat de Loonse en Drunense Duinen - zoals nog altijd het geval is - omgeven waren door een aantal horecagelegenheden: De Roestelberg, De Efteling, Bosch en Duin en De Rustende Jager. Peijnenburg had daar in zijn boswachterfunctie om meerdere redenen mee te maken. De bekeuringen van 'minnende paartjes' bij De Roestelberg en de klachten die dat opleverde van de exploitant zijn al ter sprake geweest.

Ook de exploitant van Café De Efteling was voor Peijnenburg iemand waar hij veel mee te stellen had. In 1930 vond een grondruil plaats: de verzekeringsmaatschappij N.V. 'Noord-Braband' te Waalwijk nam een terrein van 35 ha nabij Plantloon over, dat Natuurmonumenten kort daarvoor aangekocht had van mr. H.J.M. Loeff, burgemeester van Drunen. Daartegenover verwierf Natuurmonumenten een aantal percelen ter grootte van 27 ha, die grotendeels gelegen waren bij de Efteling, inclusief het aldaar gelegen café. Mombers, die een belangrijke rol had gespeeld bij deze ruil rapporteerde erover: 'Het café van der Kaa is intusschen geheel nieuw gemeubileerd, de zaak schijnt goed te gaan.' Hierbij kan echter een vraagteken worden gezet. Er waren steeds betalingsproblemen en toen in 1932 het contract moest worden verlengd wilde de huurder van Café De Efteling en omliggende percelen de huur met de helft teruggebracht zien. Peijnenburg: 'V.d. Kaa is een lastige huurder voor ons en het is te hopen dat we in de toekomst een betere huurder kunnen vinden.' Na stevig optreden van Peijnenburg die hem eens goed aan het verstand gebracht had dat Natuurmonumenten er niet van gediend was dat hij elke keer met 'bezwaren en veel praatjes voor den dag' kwam en dat hij maar te kiezen had tussen vertrekken of tekenen had hij toch maar voor het laatste gekozen. 'Het is anders een zeer lastige klant voor mij.'
De situatie werd er niet beter op. In 1937 ontstonden weer betalingsachterstanden en zag Peijnenburg zich verplicht 'hem andermaal de duimschroeven aan te leggen'. Het werd tijd om op zoek te gaan naar een nieuwe huurder.

Peijnenburg aan Natuurmonumenten, Loon op Zand 14 februari 1937:

'Wat het Café v.d. Kaa op de Efteling betreft, ik geloof ook wel dat hiervoor gegadigden te vinden zullen zijn, als dit noodig mocht zijn en dat bij een behoorlijke exploitatie door iemand die goed met het publiek weet om te gaan, ook wel meer aanloop zal komen, voor al in de zomermaanden is dit een mooie wandeling vanaf Kaatsheuvel en Loon op Zand naar de Efteling.'

Peijnenburg aan Natuurmonumenten, Loon op Zand 13 december 1937:

'Dezer dagen heeft zich bij mij een nieuwe huurder komen vragen voor het Café op de Efteling n.l. Adrianus Vuchts, Dongensche straat 165 te Kaatsheuvel. Deze persoon wil a.s. zomer gaan trouwen, is van boerenafkomst en werkt tevens nog enkele dagen per week op de R.K. Boerenbond (pakhuis) om goederen thuis te bezorgen. Mij is deze persoon verder onbekend doch hij maakt op het eerste gezicht geen slechte indruk.'

Drijver kwam uit Amsterdam om een houtverkoping bij te wonen en tevens kennis te maken met de heer en mevrouw Vugts om een indruk te krijgen of ze geschikt zouden zijn voor het huren en exploiteren van een café. Het oordeel viel kennelijk goed uit, want met ingang van mei 1938 werd Vugts de nieuwe huurder van Café De Efteling en bijbehorend land. Peijnenburg nog eenmaal over diens voorganger: '(...) ik zal zeer blij zijn als het Mei is en wij hem kwijt zijn, voor goed hoop ik!'

Tegen de klok in komen we dan bij Bosch en Duin. In het voorjaar van 1930 kreeg Mombers bezoek van een caféhouder te Udenhout, Kruissen geheten: 'Daar hij een jong getrouwd man en ondernemend is, zoo wil hij een ververschingslocaal plaatsen aan den ingang der Drun. duinen (Schoorstraat Udenhout).' Nog datzelfde jaar begon deze jonge ondernemer een uitspanning, een houten café, ongeveer op de plek van het huidige Landgoed Bosch en Duin. Omdat de zandweg ernaartoe slecht berijdbaar was, liet Kruissen deze met enige regelmaat met 'gruis en puin' verbeteren. Veel last had hij echter van de vele karren die van 's morgens tot 's avonds zand kwamen opgraven in de duinen, op het eigendom van Graaf d'Oultremont. De karren vervoerden grote hoeveelheden zand over het terrein van Natuurmonumenten naar Udenhout, reden daarbij de weg stuk en versperden de doorgang voor auto's. Peijnenburg besprak de zaak met Kruissen die graag zou zien dat de doorgang verboden werd voor de zandkarren, maar de Vereniging liet zich niet voor dat karretje spannen. De kans was groot dat het zand dan elders gehaald werd, mogelijk op het eigen terrein van Natuurmonumenten. Kruissen bleef klagen, dat het zandrijden 'tegenwoordig verschrikkelijk' was, er geen auto's meer door konden, de karren de hele zaak onderstoven, enzovoorts. Natuurmonumenten was het eens met haar boswachter dat men niet voor een ander de kastanjes uit het vuur moest halen; Kruissen had de last van die karren, dus hij moest er maar paal en perk aan zien te stellen.

Korte tijd daarna deed Kruissen opnieuw een beroep op Natuurmonumenten. Nu om een stuk grond te kopen of te huren voor de uitbreiding van zijn zaak met ongeveer twintig hotelkamers, een terras en een speeltuin. In de jaren dat Kruissen Bosch en Duin exploiteerde was het bezoek aan de Loonse en Drunense Duinen zeer sterk toegenomen. Peijnenburg raadde het plan af omdat er dan 'een mooi stuk natuurschoon' verloren zou gaan. Door Natuurmonumenten werd betreurd dat zich aan de grens van haar bezittingen personen vestigden die profijt trokken uit het werk van de Vereniging zonder daar iets tegenover te stellen. Men dacht aan een nieuwe toegangsregeling. Tot dan toe had iedereen vrij toegang, lid of geen lid. Men vroeg zich af of het mogelijk zou zijn om uitsluitend leden van de Vereniging op vertoon van het bewijs van lidmaatschap toegang te verlenen. Dat zou een streep door de rekening zijn van de exploitanten van De Roestelberg en van Bosch en Duin, maar de Vereniging zou zeker een groot aantal leden kunnen winnen. De vraag was of zulk een regeling in de praktijk uitvoerbaar was. Eén persoon kon natuurlijk onmogelijk alleen toezicht houden, doch indien Gemeente- en Rijkspolitie bereid zouden zijn op de naleving van de toegangsbepalingen toe te zien, zou dit de kans op overtreding zeer klein maken. Peijnenburg moest hier nog maar eens over nadenken, zodat men er bij een volgend bezoek aan Loon op Zand over zou kunnen spreken. Kruissen had als voortvarend ondernemer weinig geduld. Hij wachtte het besluit van Natuurmonumenten niet af en kocht van een particulier een stuk grond om zijn uitbreidingsplan toch te kunnen realiseren. Daarop ging een brief naar 'G.F. Kruissen, Café-Restaurant Stationsstraat te Udenhout' die deze wel als een dreiging opgevat zal hebben.

Natuurmonumenten aan Kruissen, Amsterdam 1 december 1932:

'Wij meenen goed te doen Uw aandacht erop te vestigen, dat er bij onze Vereeniging plannen bestaan om haar bezittingen in die omgeving alleen toegankelijk te stellen voor leden der Vereeniging en personen, die een schriftelijk toegangsbewijs kunnen overleggen. Komt deze regeling tot stand, dan zullen derhalve ook Uwe gasten niet zonder meer toegang kunnen verkrijgen.
Natuurlijk zijn wij bereid een regeling daaromtrent te treffen, hetzij met U, hetzij met Uw gasten. Het eenvoudigste is het dan wellicht, dat wij U een aantal toegangskaarten verschaffen, welke U uitsluitend aan Uw logeergasten kunt afgeven, al of niet tegen betaling van het vast te stellen bedrag. Worden de kaarten door U kosteloos afgegeven dan zullen wij een regeling moeten treffen, waarbij aan Uwe gasten toegang verleend wordt op nader vast te stellen voorwaarden tusschen U en onze Vereeniging.'

Kruissen was zo verstandig om in gesprek te gaan met Natuurmonumenten over samenwerking. Toch ging de uitbreiding niet door. Uit Udenhout kwam de raad: 'Bezint vóór ge begint'. Kruissen werd een 'oppassend, ondernemend en vooruitstrevend persoon' genoemd, doch een nieuw café in 'den duin' zou zijn financiële draagkracht te boven kunnen gaan, mede omdat hij zijn café in de Stationsstraat in het dorp niet had kunnen verkopen.
Intussen was bij de gemeente Udenhout een ander plan ingediend voor een houten café in de omgeving van Bosch en Duin. De gemeente polste Natuurmonumenten, die zich ertegen keerde. Het zou het vreemdelingenbezoek sterk in de hand werken met alle gevaren daaraan verbonden, zoals bosbranden, enzovoorts. Gevreesd werd dat niet in de eerste plaats 'de echte natuurliefhebbers' zouden komen, doch vooral 'bezoekers van een ander gehalte'. Natuurmonumenten wilde juist het natuurschoon van de Loonse en Drunense Duinen bewaren om de natuurvrienden van dit gebied er zoveel mogelijk van te kunnen laten genieten. Er bestond daar sinds enige jaren al een houten café, namelijk Bosch en Duin. Men zou het plan natuurlijk kunnen dwarsbomen door het natuurmonument alleen toegankelijk te maken voor leden van de Vereniging, doch dat deed men liever niet, omdat er prijs op gesteld werd dat 'onze bezittingen natuurliefde opwekken'. Natuurmonumenten had bovendien vernomen dat een dergelijke bouwaanvraag bij de gemeente Drunen was ingediend, terwijl aan de Waalwijkse kant bij de Roestelberg reeds een café aanwezig was. Het zag er dus naar uit dat de Loonse en Drunense Duinen door een gordel van cafés omringd zou gaan worden. 'Wat staat ons in deze verder te doen,' vroeg Natuurmonumenten in een brief aan Vincent Cleerdin, griffier van de Staten van de provincie Noord-Brabant.
Na een gesprek met Schellekens, de indiener van het plan voor het tweede café in de buurt van Bosch en Duin, was Natuurmonumenten gerustgesteld en liet verder verzet achterwege. Men had een goede indruk van hem gekregen en hij zou alle moeite doen om het gehalte van de bezoekers op peil te houden.
Schellekens opende zijn café, 'de Hooimijt' geheten, en Kruissen ging de concurrentie aan. Er kwamen parkeerplaatsen voor auto's, fietsenrekken en een speeltuin; de grond huurde hij van Natuurmonumenten. Tegenover Bosch en Duin werd een tent geplaatst - op grond van Natuurmonumenten doch zonder toestemming - waar hij gebak, chocolade, suikerwerk en ijs verkocht. Peijnenburg gebood de tent te verplaatsen, Kruissen beloofde dat te zullen doen, maar er gebeurde niets. En zo ging dat nog even door: beloven, maar niets doen.

Peijnenburg aan Natuurmonumenten, Loon op Zand 25 mei 1933:

'Indien het deze keer weer bij een belofte blijft, wat staat mij dan te doen? Want ik behoef toch niet te blijven waarschuwen. Of zou ik er dan toe over mogen gaan om het zelf af te laten breken en van ons terrein te laten verwijderen?'

Reclamefolder Bosch en Duin

Reclamefolder achterzijde

Kruissen ging ook reclame maken; folders roemden de rustige omgeving van Bosch en Duin en de 'ongerepte natuur' van de duinen: 'Komt nog dezen zomer naar UDENHOUT, U leert dan de schoonheid van eigen land kennen. Een pracht-gelegenheid voor eendaagsche uitstapjes met kinderen.' Voor een andere reclamefolder deed Kruissen een beroep op Lambert G. de Wijs. Deze Tilburgse wolfabrikant en verdienstelijk amateurhistoricus die veel publiceerde over de geschiedenis van Tilburg, prees de Loonse en Drunense Duinen aan als een groot en vrij toegankelijk gebied: 'Brabant's meest overweldigende natuurmonumenten: "De Udenhoutsche Duinen" '.

Opnieuw meldde Kruissen zich bij Natuurmonumenten. Hij zou graag willen uitbreiden en bij de zaak gaan wonen 'doch hiervoor zijn wij zelf niet kapitaalkrachtig genoeg'. Daarom bood hij Bosch en Duin met bijbehorende gronden te koop aan. Een bierbrouwer zou al een bod gedaan hebben, maar Kruissens voorkeur ging uit naar verkoop aan Natuurmonumenten. Deze had interesse en gaf Peijnenburg en Van Iersel opdracht voor een taxatie. De vraagprijs werd in Amsterdam te hoog bevonden, waarna Erve Harry van den Brekel te Tilburg, hoofdagent van Heinekens Bierbrouwerijen, eigenaar werd van Café Bosch en Duin. Er werd een bouwplan gemaakt voor een woonhuishotel naast het bestaande houten cafégebouw. De gemeente Udenhout vond het er goed uitzien en legde het voor aan Natuurmonumenten, die er wél stevige kritiek op had. Het kwam erop neer dat het ontwerp niet goed aan het landschap was aangepast. Daarnaast werd gevreesd dat door het bezoek de rust, vooral op zon- en feestdagen, in het gedrang zou raken, het brandgevaar zou toenemen, enzovoorts. Men deed een beroep op de gemeente om het politietoezicht ter plaatse te verscherpen en te bevorderen dat de nieuwbouw zo weinig mogelijk zou misstaan.

Kruissen en andere caféhouders in de omgeving zagen natuurlijk niet graag dat venters in de Loonse en Drunense Duinen versnaperingen, drank en ijs verkochten. Kruissen klaagde dat hij zeer grote nadelen had van een inwoner van Udenhout die in de duinen bier, limonade en sinaasappelen verkocht. Die liep er met een aantal van zijn kinderen rond om hun waren aan de bezoekers te slijten - voor de helft van de prijs. Het gegoede publiek was daar niet van gediend en Natuurmonumenten zou het hem moeten verbieden. Nadat hij door Peijnenburg gewaarschuwd was, diende betrokkene een aanvraag in voor een vergunning om op zondagen alcoholvrije dranken te mogen verkopen op een door de boswachter aan te wijzen plekje grond. Hij had een groot gezin met negen kinderen onder de veertien jaar en alleen inkomsten uit de werkverschaffing en een boerderijtje. In de werkverschaffing kreeg hij maar drie van de vier weken werk en hij leed 'verschrikkelijk onder de crisisomstandigheden'. Dikwijls waren er geen centen in huis en daarom verzocht hij 'om genade voor recht te laten gelden'. In zijn advies aan Natuurmonumenten schreef Peijnenburg dat deze 'arme sukkelaar' op zeer bescheiden schaal limonade verkocht en dat hij dat oogluikend had toegelaten. Het beste was om hem een vergunning te verstrekken voor een vaste plaats, wat verder weg van Café Bosch en Duin.

De Rustende Jager en Jan Klijn

Na De Roestelberg, De Efteling en Bosch en Duin is er nog De Rustende Jager. In de tijd dat Natuurmonumenten de Loonse en Drunense Duinen aankocht was De Rustende Jager een boerderijtje aan de Oude Bosschebaan, de oude heerbaan van Breda naar 's-Hertogenbosch. Het was daarnaast ook een eenvoudige herberg, althans een gelegenheid waar bezoekers (en hun paarden) wat konden drinken en eten. Eén van de bezoekers aan deze boerderijherberg schreef op 2 mei 1930 in een brief aan Van Tienhoven dat, toen hij de vorige week langs De Rustende Jager reed, 'de houder' hem had gezegd: 'Ik begrijp niet, waarom mijnheer van Tienhoven niet opschiet, om dit land over te nemen, want iedereen weet toch, dat hij er op stuk van zaken toch om komt.' Evenals de eigenaar van De Rustende Jager was de bezoeker kennelijk van mening dat het geen zin had om de aankoop van de Loonse en Drunense Duinen nog langer geheim te houden; 'iedereen' wist toch al dat Natuurmonumenten daar alle percelen aankocht die te koop werden aangeboden. De strategie die daarbij gehanteerd werd was om door geheimhouding de concurrentie uit te bannen en prijsopdrijving te voorkomen. Pas tijdens het 25-jarig jubileum vond het bestuur de tijd rijp om wereldkundig te maken dat 'de Loonsche en Drunensche Duinen eigendom der Vereeniging zijn'. Vanaf 1921 had het daar tien jaar lang naartoe gewerkt. 'Wij arbeidden in stilte en 't geld, benoodigd voor de aankoopen, in totaal meer dan ƒ 180.000,-, werd bijeengebracht door natuurvrienden, zonder dat wij een beroep op het groote publiek deden.'

De bezoeker aan De Rustende Jager die kritiek leverde op het aankoopbeleid van de Vereniging was één van die natuurvrienden. Zijn naam was W. van der Vorm, een Rotterdammer met zakelijke belangen in de Scheepvaart & Steenkolen Maatschappij N.V. en een groot kunstverzamelaar (zijn kunstbezit maakt nu deel uit van de collectie van Museum Boijmans Van Beuningen). Als financier op de achtergrond toonde hij zich een warm pleitbezorger voor meer openheid van zaken. In het door Van Tienhoven toegezonden jaarverslag miste hij de aankoop van de Loonsche en Drunensche Duinen. 'Zijn dergelijke ondernemingen te klein, om in een verslag te worden vermeld?' Van Tienhoven antwoordde dat dat 'expresselijk' was gedaan omdat er eerst nog 'talrijke stukjes' bij 'het reservaat' gevoegd moesten worden, voordat het bestuur zou kunnen zeggen: 'Wij zijn er!' Graag zou hij in een persoonlijke ontmoeting uiteen willen zetten hoe moeilijk het is om bepaalde percelen te verwerven, zoals bijvoorbeeld de Onverdeelde Duinen. 'Natuurlijk is het een secret de polichinelle [geheim dat iedereen kent] dat wij in de Loonsche en Drunensche Duinen een groot natuurterrein bezitten. Het is echter zaak om daaraan niet al te groote ruchtbaarheid te geven, omdat er verschillende stukken zijn waar wij nog niet aan kunnen komen en hoe rustiger dit gaat hoe meer kans op succes.' Zodra het wat rustiger werd zou hij eens binnenvallen bij Van der Vorm op diens landgoed Venrode, gelegen in de buurt van Sint-Michielsgestel (thans in het bezit van het Brabants Landschap).
Van der Vorm komen we ook tegen in het dossier over de aankoop van De Rustende Jager door Natuurmonumenten.

Van der Vorm aan Natuurmonumenten, Rotterdam 21 januari 1932:

'Ik ontving dezer dagen een brief van zekeren Klijn uit Udenhout, die daar in "De Rustende Jager" woont. Het is een oude kennis van mij, nog uit den tijd, dat ik daar vroeger veel langs kwam, wanneer ik aan het rijden was. U herinnert zich hem misschien ook nog wel, daar wij er - naar ik meen - ook samen eens zijn geweest. Het zijn eenvoudige menschen; zij houden zich ook bezig met vlechtwerk van manden en dergelijke. Klijn schrijft mij nu, dat U binnenkort zijn huis en land wilt koopen, maar dat zij er wel zouden kunnen blijven wonen. Nu schijnen er menschen bij hem geweest te zijn, om hierover te spreken, doch hij wilde liever met U persoonlijk eens spreken. Hij zegt, dat hij binnen 14 dagen een en ander moet weten, daar dan de hypotheek veranderd moet worden. Nu verzoekt hij mij, of ik er eens met U over zou willen spreken.'

Het kunnen dan wel eenvoudige mensen geweest zijn, ze hadden wel relaties en wisten daar ook gebruik van te maken. Over hetzelfde onderwerp kreeg Natuurmonumenten een brief van waarnemend notaris Clerx te Oisterwijk. 'Vrouw Klijn' had hem geschreven dat haar man geen besluit kon nemen om te verkopen, omdat hij bang was er later spijt van te krijgen. Volgens Clerx was Klijn al meerdere keren van plan veranderd, maar als ze de verzekering kregen dat ze er zouden kunnen blijven wonen, zou hij wel willen verkopen. Dit zou voor hen zelf ook het verkieslijkst zijn. 'Indien U wilt onderneem ik nog een poging in die richting.'
In het najaar van 1934 was De Rustende Jager nog altijd eigendom van het echtpaar Klijn, dat het echter graag zou willen overdoen aan Natuurmonumenten. En die had nog steeds veel interesse omdat het van belang was 'om dit bij uitstek belangrijke strategische punt in bezit te hebben om kroegjes of kleine cafétjes te weren'. Het probleem was het geld, schreef Van Tienhoven aan Van der Vorm: 'Mocht het echter zijn, evenals bij Oirschot, dat wij de handen in elkaar kunnen leggen om samen de financieele bezwaren te overwinnen, dan houd ik U gaarne op de hoogte van mijn onderhandelingen met Mejuffrouw Klijn.' Van der Vorm, die intussen op Venrode bezoek had gehad van Van Tienhoven, antwoordde dat hij daar nog wel eens over wilde praten. Enkele maanden later vond het transport plaats en kon Natuurmonumenten zich eigenaar noemen van De Rustende Jager met bijbehorende grond, doch wel met de verplichting om het gebouw en de landerijen te verhuren aan de verkoper en na zijn overlijden aan zijn weduwe en zijn zoon tot 1 december 1959. Van Tienhoven zou de jaren daarna nog meer verzoeken om financiële steun richten aan zijn 'Waarde Brabantsche buur en natuurvriend!', aanvankelijk met succes. Maar geleidelijk aan ontstond een toenemend wederzijds onbegrip, dat een verkoeling van hun relatie tot gevolg had. De natuurvriend werd de 'Hooggeachte heer van der Vorm' en tenslotte de 'Geachte heer van der Vorm'. Gaandeweg werd het Van Tienhoven duidelijk dat zijn uiteenzettingen over de noodzakelijke hulp bij het aankopen van terreinen in Brabant vruchteloos bleven. Van der Vorm deelde hem mee dat hij veel voor de Vereniging voelde, doch er zich niet opnieuw financieel voor wilde interesseren 'omdat U ten aanzien van een belangrijke door mij genoemde kwestie een andere opvatting huldigt'. De verdere briefwisseling maakte duidelijk dat Van der Vorm van mening was dat een vereniging met een 'uitgesproken publiek karakter' zoals Natuurmonumenten jaarlijks een financieel verslag diende te publiceren.

Intussen had boswachter Peijnenburg Klijns zoon Jan in dienst genomen als tijdelijke arbeider. Jan had in de steenfabriek in Udenhout gewerkt, maar de natuur trok hem meer. Daar had hij het goed naar zijn zin: 'Met baas Peijnenburg kan ik nog best opschieten, ook met Peerke Verhoeven.' Uit Amsterdam kwamen boeken aan 'over het bewerken van bossen, velden, dennen en planten', bestemd voor zelfstudie door Jan Klijn. 'Zeer betrokken voel ik mij voor de schone natuur. Ik zal met alle kracht mij inspannen om spoedig voor u een goede steun en een stoeren werkman te zijn, dat is mijn wens.' Toen De Rustende Jager bezoek kreeg uit Amsterdam vroeg Jans moeder of haar zoon niet vast in dienst van Natuurmonumenten kon komen voor alle voorkomende werkzaamheden en als hulp bij het toezicht en het waken tegen bosbrand. Gezien de uitgestrektheid van het bezit van Natuurmonumenten, zag deze er wel de voordelen van in om het toezicht uit te breiden, waarbij het een voordeel was dat Klijn aan de andere kant van het natuurgebied woonde ten opzichte van Peijnenburg. Deze laatste zag uitbreiding van het toezicht wel zitten, vooral bij droge en drukke dagen. Daarnaast zou Klijn de wegen brandvrij kunnen maken, de kwekerij schoonhouden en dergelijke. Hij zou een goed, vast weekloon moeten krijgen van bijvoorbeeld ƒ 12,50. De werktijd was immers om zes uur niet gedaan; in de zomer was er juist behoefte aan toezicht in de avonduren en ook op zondagen moest Peijnenburg op zijn hulp kunnen rekenen.

Natuurmonumenten schreef naar de Minister van Justitie dat de Loonse en Drunense Duinen een uitgestrekt en moeilijk begaanbaar terrein vormden van ongeveer 1300 ha, dat de laatste jaren steeds meer bekend was geworden bij de bevolking en zich ontwikkelde tot een belangrijk recreatiegebied. Het toenemend bezoek stelde hogere eisen aan het toezicht dat, behalve aan Rijks- en Gemeentepolitie en Koninklijke Marechaussee, was opgedragen aan J.C. Peijnenburg, boswachter van de Vereniging, die tevens onbezoldigd rijksveldwachter was. Natuurmonumenten wilde een tweede toezichthouder aanstellen, te weten bosarbeider Johannes Gijsbertus Klijn, geboren 18 mei 1912, wonende op De Rustende Jager te Udenhout. Gezien de ligging van het gebied in vier gemeenten werd aanstelling als onbezoldigd Rijksveldwachter van groot belang geacht. Daarom het verzoek om Klijn als zodanig aan te stellen. Die aanstelling zou er komen, maar eerst moest Klijn aan de studie, vooral oefenen in het behoorlijk in de Nederlandse taal opmaken van processen-verbaal. Daarvoor bezocht hij ook de avondschool in Udenhout, waar hij les kreeg van meester Van Iersel. Na het opmaken van vele proefverbalen moest hij 'kennis van bekwaamheid' afleggen bij de Brigade Commandant der Rijksveldwacht te Tilburg. Toen Jan Klijn de leeftijd van 23 jaar bereikt had, kreeg hij zijn aanstelling als onbezoldigd Rijksveldwachter, gevolgd door een aanstelling bij de Vereniging tegen een vast weekloon van ƒ 15,-. Tot dusver was hij in dienst tegen het gewone dagloon, dat wil zeggen dat hij bij ongunstig weer als er niet gewerkt kon worden geen loon had ontvangen. 'Wij vermoeden, dat deze nieuwe regeling ook Uw vader en Uw moeder genoegen zal doen,' schreef Natuurmonumenten in de aanstellingsbrief.

Wat bij Natuurmonumenten niet in goede aarde viel, was dat zoon Jan een groen pak had laten maken. Moeder Klijn kreeg er een brief over: 'Het pak kan hij natuurlijk afdragen, maar geen onzer medewerkers in de bosschen heeft een uniform, hetgeen groote voordeelen oplevert, omdat het publiek in onze menschen niet in de eerste plaats politie dienaren behoeft te zien.' De nieuwe medewerker had zelfs met de hulp van een Opper-Wachtmeester van de Marechaussee een verzoek bij de Procureur-generaal ingediend voor het dragen van het groene uniform. Jan wist dat Van Tienhoven er niet erg op gesteld was dat hij het droeg, maar hij had dat pak nu eenmaal en vond het jammer om het in de hoek te hangen, zo verweerde hij zich in zijn excuusbrief aan Natuurmonumenten. Peijnenburg kreeg de vraag uit Amsterdam wie Jan Klijn in deze zaak de juiste weg gewezen kon hebben. Naderhand bleek dat het hem was aangeraden door niemand minder dan mr. F.J. van Lanschot, burgemeester van 's-Hertogenbosch, die bevriend was met de familie Klijn. Van Lanschot had - evenals Van der Vorm - op de achtergrond een rol gespeeld bij de verkoop van De Rustende Jager. Hij had daarover gecorrespondeerd met 'Waarde oome Piet!', zonder dat hier sprake was van een familieband; velen in diens naaste omgeving spraken van 'oom Piet' als ze het over Van Tienhoven hadden.

Van Lanschot aan Natuurmonumenten, 's-Hertogenbosch 5 oktober 1934:

'De zaak is dus beklonken voor ƒ 3500 en de zoon komt dan bij mijnheer van Tienhoven in 't werk. (...) Gij hebt het goed gezien en dat boerderijken past daar precies. 'T is de poort die naar de wildernis leidt. (...) Als wij daar wandelen in Giersbergen en de duinen wordt door het gezelschap door luide lofprijzingen lof en hulde gebracht aan Natuurmonumenten en aan "oome Piet".'

Nog geen jaar na zijn vaste aanstelling bij Natuurmonumenten overleed Jan Klijns vader, 50 jaar oud.

Natuurmonumenten aan F.J. van Lanschot, burgemeester van 's-Hertogenbosch, Amsterdam 7 april 1936:

'Jammer van onzen vriend Klijn! Het is een groot verlies voor de familie en ook voor ons, want het geheel van De Rustende Jager was zoo in tact. Ik hoop maar, dat Vrouw Klijn de zelfde opgewektheid zal blijven behouden als tot nu toe en met haar zoon nog vele jaren de scepter mag zwaaien in de Rustende Jager, want wij zouden de familie niet gaarne in onzen kring van "onderdanen", zooals Vrouw Klijn zich zelf noemt, willen missen. Een bedevaart naar de Rustende Jager met U moet er toch dit jaar zeker op overschieten. Met beste groeten en naar ik hoop tot spoedig ziens!'

Dat die 'bedevaart' er al snel kwam, blijkt uit het bezoekverslag: 'Op Paasch-Zondag 12 april 1936 gedejeuneerd bij Tante Mie op "De Rustende Jager" met burgemeester v. Lanschot van Den Bosch.' Er waren ook andere 'Kampinasche gasten' van de partij, alsook Van Iersel en Peijnenburg. Natuurmonumenten bevestigde de gemaakte afspraken in een brief aan burgemeester Van Lanschot, nu niet met de aanhef 'Amice', maar 'Mijn waarde veelzijdige vriend': 'Het was een groote verheugenis voor mij en mijn gasten, dat wij U mochten ontmoeten bij onze onvolprezen tante Mie [weduwe M. Klijn-de Bresser] en Uw warme gevoelens en geestdriftige uitlatingen over ons werk en over de Loonsche Duinen schuiven degenen, die hun dagelijkschen arbeid besteden om wat te redden van de schoonheid van Nederland, een riem onder het hart.' De brief handelde verder over het fietspad van Drunen naar De Rustende Jager, dat beter berijdbaar gemaakt zou moeten worden, 'doch waar van alle kanten naar werk wordt gezocht voor werkloozen en uitgaven daaraan worden besteed, geloof ik, dat het op den weg ligt van de Gemeente Drunen om dezen weg goed onder handen te nemen'. Natuurmonumenten hoopte dat Van Lanschot zich als voorzitter van de commissie W.I.L. (Weg in het Landschap) zou inzetten voor een goed wielerpad, eenvoudig en aangepast aan de omgeving.

Natuurmonumenten aan M. Klijn-de Bresser, Amsterdam 25 april 1936:

'Dank voor Uw vriendelijk schrijven van een paar dagen geleden en evenals U hoop ik, dat wij elkander nog vele jaren mogen zien en steunen in het ondermaansche en de gastvrijheid mogen genieten van de onvolprezen Rustende Jager.
U kunt thans nog een goed leven hebben en moet U neerleggen bij het verdriet, dat U en Uw familie heeft moeten ondervinden, waar niemand iets tegen doen kan. Ik heb echter eens hooren zeggen: "zoek de dooden bij de levenden".'

Nog vele jaren bleef de weduwe Klijn schriftelijk contact houden met Natuurmonumenten. Haar brieven gingen steevast gepaard met de uitnodiging om weer eens op De Rustende Jager langs te komen voor een lekker kopje koffie. Zeker tegen de Paastijd stelde ze een bezoek op hoge prijs; ze zou dan zelf boerenkrentenmik bakken. Maar door de drukke werkzaamheden in Amsterdam kwam er dat niet altijd van. Regelmatig kwam de weduwe met suggesties en plannen op de proppen, zoals het bouwen van een ruststal voor paarden en het in de zomermaanden gaan verkopen van bier en limonade aan de rustende bezoekers. Natuurmonumenten zag dit laatste wel zitten, ook omdat de weduwe uit het gehuurde boerderijtje De Rustende Jager maar weinig inkomsten had. Bij de gemeente werd een aanvraag ingediend met als motivering dat een vergunning op zijn plaats zou zijn 'nu het bezoek aan het Natuurmonument van jaar tot jaar toeneemt en er overigens in die omgeving geen gelegenheid bestaat tot het bekomen van ververschingen'. De gemeente deelde mee dat het pand voor de verkoop van zwakalcoholische dranken (verlof A) niet geschikt was. Verlof B zou wel kunnen. Dan zou alleen limonade, melk, thee en koffie verkocht mogen worden, dus geen bier. Met dit laatste was Peijnenburg het hartgrondig eens: bierverkoop zou wel eens tot mistoestanden kunnen leiden.
Er ontstond een huisvestingsprobleem toen Jan Klijn bekend maakte dat hij trouwplannen had. Voor Natuurmonumenten zou het ouderlijk huis - De Rustende Jager - de aangewezen woning zijn, gezien de voor het toezicht gunstige ligging aan het oostelijk deel van de Loonse en Drunense Duinen. Zolang echter Jans moeder haar verplichtingen als huurster nakwam, had zij het recht om op De Rustende Jager te blijven wonen en dat was wat ze wilde. Uiteindelijk werd toch een geschikte woning op niet te grote afstand gevonden. Na het huwelijk bezochten Van Tienhoven en Eshuis het jonge echtpaar, wat in het bezoekverslag als volgt werd aangetekend: 'Bij Jan Klijn door diens vrouw overstelpend met brood en gebak ontvangen. Het ziet er keurig uit en volgende keer cadeautje meebrengen of sturen.'

Wat de weduwe Klijn ook deed was leden werven voor de Vereniging. Aan het boerderijtje was een bord opgehangen met de tekst 'Wilt U zich hier niet als lid opgeven?' Een bezoeker die deelnam aan een excursie wist een betere tekst: 'Geeft U zich hier als lid op.' Zijn brief werd conform de gebruikelijke gang van zaken voor advies doorgezonden naar Peijnenburg, die met een eenvoudige en goedkope oplossing kwam.

Peijnenburg aan Natuurmonumenten, Loon op Zand 17 mei 1937:

'De afdeeling der Natuur historische Vereeniging welke heden met hunnen afdeelingen een excursie maakte in de Drunensche Duinen waren hoogst voldaan over hun tocht, alleen de vogel afdeeling werd wat teleur gesteld, daar de vogel stand zeer gering is, voor al in de Drunensche Duinen.
De opmerking van Dr. van Burkom, in uw brief d.d. 14 Mei genoemd, over het bord bij De Rustende Jager is inderdaad juist en reeds meerdere hebben dezelfde opmerking gemaakt. Hier word bedoeld het bord dat bij de Rustende Jager aan het huis is opgehangen om leden aan te werven zooals ook bij mij thuis op de "Venkraai" in Oisterwijk een is opgehangen. Het juiste opschrift van dit bord is een Duinlandschap teekening achter glas met de volgende woorden er onder.
"Wij hebben de Loonsche Duinen voor U behouden. Wilt U zich hier niet als lid opgeven?"
Het woord niet is makkelijk te overplakken, wij zouden er ook het woord ook overheen kunnen plakken om een betere volle zin te krijgen.
Omdat bedoeld bord bij den ingang van de Drunensche Duinen is geplaatst zou ook het woord Drunensche Duinen beter op zijn plaats zijn als zoo als het nu is met het woord Loonsche Duinen, ook dit zou wel te vervangen zijn.

P.S. Jammer dat ik heden niet thuis was toen Mijnheer van Tienhoven bij mij aan huis is geweest.'

Op De Rustende Jager hing ook een busje voor vrijwillige bijdragen van bezoekers. Het was Peijnenburgs taak om dat regelmatig te ledigen.

Peijnenburg aan Natuurmonumenten, Loon op Zand 8 juni 1936:

'De bus van de Vereeniging op de "Rustende jager" heb ik deze week ook eens gelicht en heb het inzittende bedrag groot ƒ 5,75 op de weeklijst verantwoord; ik zal deze bus als er vermoed word dat er weer goed wat in zit steeds mee lichten zoo dat er niemand mee vandoor gaat.'

Amateur ornitholoog André van Hilst junior

Systematisch onderzoek naar de vogelstand van de Loonse en Drunense Duinen heeft tot ver na de oorlog niet plaatsgevonden, wat niet betekende dat er in het geheel niets gebeurde. Een vaste bezoeker die het gebied het hele jaar door bezocht was André van Hilst junior uit Waalwijk, amateur ornitholoog en lid van de Nederlandsche Ornithologische Vereniging. In 1936 deelde hij Natuurmonumenten mee dat hij tot dan toe 'onwetende' het verbod om zich buiten de wegen en paden te bevinden had overtreden, waarvoor hij zijn excuses aanbood. Hij koesterde een buitengewone belangstelling voor dit 'mooie natuurreservaat' en zou graag een ontheffing krijgen zodat hij buiten de wegen en paden mocht komen. Gaarne verklaarde hij zich bereid eventuele bijzondere vondsten mee te delen. Van Natuurmonumenten kreeg hij voor het jaar 1936 de gevraagde vergunning. Dit was het begin van een jarenlange relatie tussen deze vrijwilliger en Natuurmonumenten. In april 1937 stuurde hij zijn eerste verslag met de vermelding dat hij het door ziekte en verblijf in het buitenland niet eerder had kunnen inzenden en dat zijn excursies naar het duingebied door diverse omstandigheden niet zo veelvuldig waren geweest als hij zich had voorgenomen.

'Ornithologisch verslag Drunensche en Loonsche Duinen 1936

Door mij werd geen aangifte gedaan van broedgevallen bij Uw boschwachter J. Peijnenburg aangezien door mij van geen bijzondere soorten nesten werden gevonden.
Wat betreft de algemeene vogel toestand van het gebied is deze vanzelfsprekend zeer schaars door het gebrek aan voldoende voedsel en drinkwater voor de meeste soorten althans. Door het aanleggen van een ijsbaan door de gemeente Loon-op-Zand in het reservaat is alleen bereikt dat er waarschijnlijk meerdere wilde eenden in deze omgeving broeden, na de paartijd en in de paartijd werden er door mij verschillende in dit water opgemerkt. Een vooruitgang van andere vogelsoorten in de omgeving der ijsbaan kon door mij niet geconstateerd worden.
Hoe arm het innerlijke gebied der duinen is, des te rijker zijn de randgebieden, welke meest bestaan uit beboschte heuvelruggen welke direct grenzen aan eikehoutopslag en bouwland, zodat hier volop voedsel en nestgelegenheid is. Hier zijn het vooral de roodborst, nachtegaal, winterkoning, fitis, lijster, merel, wielewaal (bij huize Roestelberg), tjiftjaf, boomleeuwerik (deze ook iets verder in de duinen), welke het meest voorkomen.
Verder in de duinen zijn de wulpen de meest karakteristieke vogels benevens de korhoenders en de nachtzwaluw. Hier hoorde ik ook regelmatig zij het niet zeer talrijk de gewone veldleeuwerik en benevens een enkel paar kiviten. De wulpen en de korhoenders komen wel voor maar schaars, bij het bespieden van het bolderen der korhanen in de prille ochtend zag ik nooit meer dan een haan tegelijk.
Eenige dagen in het voorjaar ontdekte ik boven mijn hoofd twee grote vischdiefjes maar zij verdwenen weer even ongemerkt. De sperwer zag ik dikwijls over de hei scheren en ontdekte ik hiervan de boom waarin hij zijn prooi verslond, in de er onder liggende braakballen vond ik twee gave duivenringen. Ook ontdekte ik een plaats met veel braakballen van ransuilen waarvan ik het fluitend geluid in de schemering verschillende malen hoorde. Op een plaats aan den duinrand in oud bosch hoorde ik ook regelmatig het hoe-hoe van den boschuil. In het najaar ontdekte ik voor de eerste maal aan zijn sterk geluid den zwarten specht in de eikenbosschen rond Westloon, waarschijnlijk een zwerver. In deze bosschen komen alle andere spechten soorten in groote mate voor.
Op botanisch gebied vond ik als rariteit weer op een plaats een pol witte caluna vulgaris
[struikheide] in bloei.'

Natuurmonumenten nam met belangstelling kennis van zijn waarnemingen en merkte erbij op dat de korhoenderstand niet zo gunstig meer was als voorheen. Van Hilst ontving een vergunning voor 1937 met daarbij het verzoek: 'Mocht U iets waarnemen omtrent het broeden van duinpieper en roofvogels, wilt U ons dan onmiddellijk inlichten?'

Waar Van Hilst over zweeg was het te betreuren verschijnsel van vogelvangers. Zo kreeg Natuurmonumenten een brief van een arts uit Hardinxveld. Die had na een vergadering van de 'Ned. Nat. Hist. Vereeniging' enkele dagen in Brabant rondgereden en deelgenomen aan een excursie in de Drunense Duinen. Daar had het gezelschap een uitgehaald staartmezennest gezien met de eitjes ernaast! Op een keurig schoongemaakt plekje lag een nachtegalenslagnetje met een meelworm als lokaas. Een en ander had de briefschrijver afgegeven bij boswachter Peijnenburg, die helaas niet thuis was. En zo waren nog diverse andere overtredingen van de Vogelwet geconstateerd. Daar kwam nog bij dat door caféhouder Kruissen allerlei verhalen over vogelvangers waren verteld. Natuurmonumenten bevestigde in haar antwoord dat het niet om incidenten ging: 'De vogelvangst tiert nog welig in onze zuidelijke gewesten en zelfs in den broedtijd zijn deze dieren niet veilig. Daar komt dan nog de niets ontziende onnadenkendheid en ruwheid van de jeugd bij, en alles tezamen ligt hier een uitgebreide en dankbare taak weggelegd voor de Politie, zoowel de bezoldigde als onbezoldigde.' Ook Peijnenburg werd per brief op de hoogte gebracht. Enerzijds toonde Natuurmonumenten begrip voor de moeilijkheid om toezicht te houden op zo'n uitgestrekt terrein. Hij had heel wat met de vogelvangers te stellen! Echter verscherping van het toezicht was gewenst. Peijnenburg kreeg het verzoek om dat maar eens te bespreken met de 'Rijks- en Gemeentepolitie en Marechaussee'. (In de Tweede Wereldoorlog zouden door de Duitse bezetter de Koninklijke Marechaussee, Rijkspolitie en Gemeenteveldwacht worden samengevoegd tot één Rijkspolitiekorps.)
Natuurlijk kon Peijnenburg zo'n brief van zijn werkgever niet onweersproken laten.

Peijnenburg aan Natuurmonumenten, Loon op Zand 14 juni 1937:

'Wat [betreft] de toestand van de vogelstand in Uw brief d.d. 7 Juni genoemd, deze is niet geheel juist. Bedoelde vinken en lijsternest nabij "Bosch en Duin" zijn namelijk niet door menschen handen uitgehaald, doch door andere oorzaken verstoord geworden.
Wat de verdere beweringen van Kruissen betreft, meen ik dat wij hier niet al te veel waarde aan moeten hechten, want komt er een vogel liefhebber (beschermer) dan laat hij zich kennen als in uw brief omschreven, doch komt er een vogelliefhebber om de vogels uit te halen of te verstoren, en het is tevens een goede Klant van Kruissen, dan zie ik hem er gerust voor aan dat Kruissen bedoelde vogelnesten wel zal wijzen. Ik heb n.l. bij ondervinding dat vorig jaar nog een winterkoning nest met eitjes werd mede genomen, welke ook door Kruissen werd aangewezen, zij gaven toen echter uit dat bedoeld vogelnestje reeds was verstoord.
Met nachtegalen vangen hebben wij telken jaren nogal last, en ook het vinken vangen kunnen zij nog niet goed laten. Het is echter zeer moeilijk om bedoelde vogelvangers te pakken te krijgen, op een zoo uitgestrekt terrein, en tevens omdat het vervoer van bedoelde nestjes of vogellijm niet strafbaar is en men juist de personen op heeterdaad moet betrappen dat zoo'n vogel gevangen wordt. Het is te hopen dat de Vogelwet eens zoodanig gewijzigd wordt, dat het vervoer van kleine netjes en vogellijm ook verboden wordt, eerst dan kan pas afdoende het vogels vangen worden tegengegaan.
Het blijft hier nog steeds zeer droog en brandgevaarlijk.'

Intussen kon André van Hilst een interessante waarneming melden, namelijk dat hij voor de eerste maal had kunnen vaststellen dat hier visdiefjes tot broeden waren gekomen. Door de grote regenval in het voorjaar waren grote plassen water blijven staan, bij uitstek een geschikt territorium. Er cirkelden er ongeveer twintig boven zijn hoofd halverwege Pessert en Bosch en Duin, doch hij kon slechts één donsjong ontdekken. Het wemelde er echter van de voetstappen van pootjebadende jeugd en wellicht waren de andere legsels verstoord. Van Hilst, die zijn waarnemingen deed als 'natuurbeschermer en natuurminnaar', beval goed toezicht aan teneinde deze interessante vogel mogelijkerwijs voor de Loonse en Drunense Duinen te behouden.
Het commentaar van Peijnenburg was stellig: hij had geen kolonie visdiefjes waargenomen, wel enkele stuks bij elkaar.

Peijnenburg aan Natuurmonumenten, Loon op Zand 28 juni 1937:

'Of deze vogels op onze terreinen ook broeden dit acht ik hoogstwaarschijnlijk niet, althans zeker niet op de terreinen door van Hilst aangeduid waar de jeugd aan het pootje baden is geweest, want daar zie ik nooit vogels in of bij het water, wel in het meer beboschte gedeelte onzer terreinen.'

In zijn latere ornithologische bevindingen over de Loonse en Drunense Duinen meldde vrijwilliger Van Hilst dat hij maar een paar visdiefjes broedende had aangetroffen en helaas geen broedgevallen van duinpieper of wespendief. Wel had hij de zwarte specht in de broedtijd opgemerkt en ook een boomvalk 'met zijn bonten kop' in de buurt van de houten schuur te Westloon, dat was de eerste maal dat hij deze vogel in Brabant had gezien. 'Wat korhoenders betreft miste ik deze in het voorjaar [1939] op een vaste baltsplaats zoodat deze mooie vogels nog steeds verminderen, jammer dat er op gejaagd wordt.'

Dat Peijnenburg het toezicht op de vogelvangers wel degelijk serieus nam, mag blijken uit zijn rapport over de vangst van een tweetal daders. Om hen in de kraag te kunnen grijpen was 'een razende achtervolging per rijwiel' nodig met onderweg nog eens 'een flinke valpartij van ons beiden wegens de gladheid van de weg'. Het leverde hem een uitvoerige bedankbrief van Natuurmonumenten op. Met grote belangstelling had men het avontuur met de vogelvangers gelezen. De Vereniging betuigde haar grote tevredenheid over Peijnenburgs krachtige wijze van optreden. Gehoopt werd dat de vogelvangers hun gerechte straf niet zouden ontlopen. Het was een geruststelling te weten dat de volle aandacht aan dergelijke overtredingen werd geschonken, evenals aan houtdiefstallen en andere overtredingen. Ondanks het uitgestrekte gebied zorgde Peijnenburg er toch maar steeds voor om zoveel mogelijk de baas te blijven, waarvan een goede preventieve werking uitging. Dat de vangst uitgeoefend werd op de plaats waar de vogels gevoerd werden gaf te denken en maande tot voorzichtigheid in het kiezen van voederplaatsen, waarna Natuurmonumenten haar brief eindigde met: 'Onze Vereeniging en de Nederlandsche Vereeniging tot Bescherming van Vogels willen u gaarne een klein blijk van waardering geven. Wij denken daarbij aan het nieuwe boek Het Vogeljaar, geschreven door Dr. Jac. P. Thijsse, dat in twee deelen uitgegeven wordt en waarvan nog pas slechts het eerste deel verschenen is. Wilt U ons laten weten of U zich met deze keuze kunt vereenigen of dat U wellicht aan een ander boekwerk de voorkeur geeft?'

Peijnenburg aan Natuurmonumenten, Loon op Zand 28 januari 1940:

'Hiermede wil ik U Edele mijne hartelijke dank brengen voor het zeer mooie boekwerk van Dr. Thijsse n.l. 'Het Vogeljaar' waarvan ik deze week het eerste deel mocht ontvangen. Het is inderdaad een zeer prachtig boekwerk, waarvan ik nog veel plezier hoop te hebben, ook mijn Vrouw en vooral ons Truusje vinden het zoo prachtig met die mooie plaaten erin.'

Wat Peijnenburg ook een groot genoegen deed was de straf die deze vogelvangers een paar maanden later zouden krijgen, namelijk de maximumstraf van ƒ 15,- boete. Na het opmaken van het proces-verbaal had Peijnenburg nog een brief geschreven aan de ambtenaar van het Openbaar Ministerie met de mededeling dat de verdachten aan 'Jan Publiek wisten te vertellen aldaar meerdere merels gevangen te hebben en ook wel degelijk op dien bewuste zondag aldaar vogels hadden gevangen, zooals zij zelf aan het Publiek vertelden. Mogelijk heeft dit briefje wel de strafmaat doen verhoogen.' Natuurmonumenten nam er met tevredenheid kennis van dat de kantonrechter de vogelvangers de maximum straf (van ƒ 15,-) had gegeven en sprak de hoop uit dat dit de schrik er bij de heren weer in zou brengen.

De jacht

Van oudsher kregen de Loonse en Drunense Duinen ongenood bezoek van wildstropers en vogelvangers. Iedereen wist dat het verboden was, evenals houtsprokkelen. Maar in de omgeving werd dat niet echt als zondig beschouwd. Sommige inwoners haalden er zelfs met een gerust geweten tegen Kerstmis een kerstboom. Het was immers 'grootvaders bos'. Wat het stropen betreft moet bedacht worden dat tot 1923 een gewone boer of andere grondbezitter geen jachtrechten had, ook niet op zijn eigen gronden. Voor die tijd bestond het zogenaamde Heerlijk Jachtrecht, waar weinig heerlijks aan was behalve voor de bezitter ervan - die had namelijk het alleenrecht op de jacht. In de voormalige heerlijkheid Loon op Zand was dat de adellijke familie Van Salm-Salm en sinds het midden van de negentiende eeuw de voormalige rentmeesterfamilie Verheyen. Het hoeft dan ook geen verbazing te wekken dat een oude stroper het zó uitdrukte: 'De jachtwetten zèn gemokt deur de hoge heren, maer God hee de haozen gemokt veur alle minsen.'
Toen de overheid het eeuwigdurend jachtrecht afkocht, waren landeigenaren gedurende dertig jaar een afkoopsom verschuldigd. Daarover is heel wat te doen geweest met jarenlang juridisch getouwtrek. Omdat de regeling ook voor natuurgebieden gold, was Natuurmonumenten een van de slachtoffers. Tevergeefs werd getracht om het verschuldigde bedrag, de jachtrente, verlaagd te krijgen. In 1936 ging het om een bedrag van ƒ 896,12, wat een verhoging betekende van de jaarlijkse kosten van het bosbeheer met ruwweg de helft. In een brief aan het Ministerie van Landbouw en Visscherij sprak de Vereniging van een buitengewoon zware last die haar met zorg vervulde. Verzocht werd om matiging van de jaarlijkse heffing. Daarnaast werd onderzoek gedaan naar mogelijke juridische stappen.

Natuurmonumenten aan mr. Jos van Besouw te 's Hertogenbosch, Amsterdam 22 oktober 1936:

'De onlangs achtergelaten stukken over het Heerlijk Jachtrecht Loon op Zand sluit ik hierbij weer in. Menige passage heb ik met verwondering, om geen ander woord te gebruiken, gelezen. Het kan niet anders, dunkt mij, of de landbouwers in Brabant moeten zich ernstig benadeeld voelen. Wij vernamen trouwens, dat op de laatste vergadering van den Christelijken Noordbrabantschen Boerenbond de kwestie van het Heerlijk Jachtrecht andermaal ter sprake kwam. Hadden wij eerder geweten, dat het natuurschoon van de Gemeente Loon op Zand, voor welks behoud onze Vereeniging zich groote financieele opofferingen getroost heeft, van invloed zou zijn op de vaststelling van den vergoeding voor het Heerlijk Jachtrecht, waardoor wij derhalve andermaal dat natuurschoon moeten betalen, wij zouden gaarne onze bezwaren bij het Gerechtshof hebben ingediend.'

Nog jarenlang bleef in Brabant het 'netelig onderwerp' van de Heerlijke Jachtrechten, zoals Van Besouw het noemde, een onopgeloste kwestie. Begin 1938 berichtte Peijnenburg dat het Natuurmonumenten nog veel geld zou kunnen gaan kosten. Echter zoals gewoonlijk had ook hier de medaille een keerzijde. Natuurmonumenten kon nu als terreineigenaar aan derden toestemming verlenen voor de jacht. Een van de eerste vergunninghouders was Frans Mombers die konijnen mocht schieten of vangen; zijn vergunning werd tweemaal met drie jaar verlengd. Peijnenburg mocht als boswachter klemmen leggen om konijnen te vangen; daar diende hij ingevolge de Jachtwet wel vergunning voor te hebben van het hoofd van de plaatselijke politie, de burgemeester van Loon op Zand. Petrus, de oudere broer van Frans Mombers, kreeg voor korte tijd een jachtvergunning die alleen geldig was voor een bepaald gedeelte van het gebied. Nadien besloot de Vereniging tot wijziging van haar beleid namelijk geen vergunningen meer af te geven voor een gedeelte van het terrein, zodat men nog maar met één pachter te maken had. Een van de gegadigden die zich kwamen melden was een ondernemer uit Boxtel, de firma van Boeckel & van Hoogerwou. In het bijzijn van boswachter Peijnenburg wandelde hij vier uur lang rond op het jachtterrein en zag naar eigen zeggen slechts één haas en twee konijnen. Hij ging daarom niet akkoord met de gevraagde pachtsom en wilde het eerste jaar gratis jagen om de wildstand weer op peil te brengen door 'zeer matig te jagen en slechts enkele drijfjachten te houden'. Daar ging Natuurmonumenten niet op in. En ook niet op verzoeken van hogere ambtenaren van omliggende gemeenten om in de Loonse en Drunense Duinen te mogen jagen.
Toen begin 1934 de 'jacht weer vrij kwam' werd op voorstel van Peijnenburg besloten dat iemand moest worden gevonden voor het pachten van de jacht voor het gehele terrein, zowel voor konijnen als wild. Er meldde zich onder meer een textielfabrikant uit Tilburg met een verklaring van de burgemeester dat hij gunstig bekend stond, van goede familie was en in het bezit van een jachtakte. Toch zou het jachtrecht uiteindelijk verpacht worden aan het duo Jansen en Van Swaay uit 's-Hertogenbosch. Ook zij zouden te maken krijgen met illegale jagers. Enkele van hen werden door Peijnenburg betrapt op het jagen van 'korhoenders en andere vogels'. Deze personen zouden niet goed bekend staan.

Peijnenburg aan Natuurmonumenten, Loon op Zand 30 juli 1939:

'Bedoelde Heeren gaan wel groot op hun blanco strafregister, maar de volksmond zegt dat zij het meermalen niet zoo nauw nemen als zij op de grenzen van anderen jagen.'

Peijnenburg aan Natuurmonumenten, Loon op Zand 14 augustus 1939:

'Het is trouwens nu niet de eerste maal dat Jan Publiek deze Heeren als stroopers en Kantjes jagers aanwijst, ook heb ik van andere Politiemannen vroeger al reeds meerdere malen vernomen (...).'

In de maanden voor de Duitse inval in ons land kregen Jansen en Van Swaay ook steeds meer last van de oefeningen van het Nederlandse leger. Zij klaagden daarover bij Natuurmonumenten in de hoop op een pachtvermindering, doch die verwees hen naar de Minister of de betreffende Commandant. Voor pachter Van Swaay was dat aanleiding voor een gesprek over de overlast van militairen en stropers. Hij zou graag zien dat er meer toezicht werd gehouden. Natuurmonumenten wees erop dat Peijnenburg en Klijn 'geen gelegenheid laten voorbijgaan om verkeerde dingen op onze bezittingen te voorkomen'. Men wilde Klijn niet uit het gewone werk halen voor meer toezicht op de stroperij, zoals Van Swaay had gevraagd. Wel zou Peijnenburg aan Klijn vragen om 'tijdens zijn tochten naar en van het werk en tijdens zijn surveillance zijn bijzondere aandacht aan stroopers en strooperij te schenken'.

Kort voor de inval van de Duitsers in ons land vernam Natuurmonumenten dat Waalwijkse jagers van plan waren om van 13 tot 15 april op korhoenders te jagen; de Minister had op die dagen de jacht op korhanen vrij gegeven. Peijnenburg kreeg de instructie dat bij die jacht in geen geval van de terreinen van de Vereniging gebruik mocht worden gemaakt. Na afloop van deze korte openingstijd van de korhanenjacht moest hij laten weten of op het terrein van Graaf d'Oultremont of op andere terreinen in de omgeving op korhanen gejaagd was. Ook Van Swaay kreeg bericht dat Natuurmonumenten geen toestemming verleende voor de jacht op deze voor de oorlog al schaarser wordende vogel. Op verzoek bracht Peijnenburg verslag uit.

Peijnenburg aan Natuurmonumenten, Loon op Zand 22 april 1940:

'Op onze terreinen is voor zoover bekend geen jacht gemaakt op de korhanen op 13 t/m 15 april. Op het perceel van de Graaf d'Oultremont, waar de heer van Mil uit Waalwijk en anderen de jacht uitoefenen is door drie personen en een drijver op 13 april jacht gemaakt. Het is mij niet bekend of er ook korhoenderhanen zijn geschoten op dat perceel. Op genoemd perceel zijn wel balder plaatsen, doch J. Klijn heeft op 13 april 's morgens, aldaar, de korhoenderhanen op die plaatsen uiteen gedreven, zoodat de jagers wellicht geen kans meer hadden.'

Dit verslag doet overigens vermoeden dat de korhoender destijds in de Loonse en Drunense Duinen toch nog talrijker was dan de hiervoor besproken waarnemingen door André van Hilst junior deden veronderstellen.

De zomer van 1936 Waar kon een boswachter in het zomerseizoen zoal mee te maken krijgen? Elk jaar deden zich wel incidenten voor, zoals branden, diefstal van hout, protesten tegen bekeuringen, vernielingen, enzovoorts. Als voorbeeld gaan we hiervoor terug naar het jaar 1936, waarin nog steeds klachten van bezoekers kwamen over borden bij de ingangen van de Loonse en Drunense Duinen die men niet gezien had of die onduidelijk waren. Peijnenburg kreeg toestemming om 25 borden te laten beschilderen met het opschrift:

HET IS VERBODEN OP DIT TERREIN:
TE ROOKEN,
ZICH BUITEN DE PADEN TE BEVINDEN,
TENTEN OP TE SLAAN.

De eerste klacht in de zomer van 1936 kwam van een inwoner van Tilburg en was geschreven op briefpapier van de 'Tilburgsche aquarium en terrarium vereeniging "Rasbora".' Met zijn verloofde, zijn broer en diens verloofde had hij een uitstapje gemaakt 'naar de zoo bekende en zeer mooie Udenhoutsche Duinen, hetgeen ons zeer slecht is bekomen'. Er volgde een uitgebreid verhaal dat erop neerkwam dat ze niks verkeerd hadden gedaan en de politie zich onbehoorlijk had gedragen door op een beleefd verzoek om legitimatie in woede uit te barsten. In zijn reactie stelde Peijnenburg vast dat beide paartjes zich in de bossen hadden bevonden en dat er geen sprake was van uitrusten of een verfrissing gebruiken en daarom een bekeuring gegeven was.

Peijnenburg aan Natuurmonumenten, Loon op Zand 26 juni 1936:

'De verloofde van K. Wilms wenschte eerst onze ambtspenning te zien, welke wij zonder in woede uit te barsten lieten zien. Toen de Rijksveldwachter haar naam vroeg weigerde zij dien op te geven, en eerst nadat hij haar 5 of zes maal naar haar naam gevraagd had heeft hij haar gedreigd de boeien aan te doen, en haar voor de Hulp Officier van Justitie te doen leiden, eerst toen wilde zij haar naam pas opgeven. (...) Hier zij nog opgemerkt dat de Rijks en Gemeente Politie extra wordt opgedragen om vrij sterk op te treden, om de zedeloosheid uit te roeien en te voorkomen.'

Een ander punt van zorg was hoe op te treden tegen het sprokkelen van hout zodat het niet uit de hand zou gaan lopen. Hierbij speelde onder meer de vraag wat wel en wat niet onder 'sprokkelhout' moest worden verstaan. Naar aanleiding van een verzoek van een inwoner van Loon op Zand gaf Natuurmonumenten de instructie dat Peijnenburg in elk geval geen vergunning mocht verlenen voor het weghalen van dode bomen, maar wél mocht hij toestemming geven voor het meenemen van 'enkele waardeloze doode bomen die als sprokkelhout te beschouwen waren'. Anders werd gevreesd voor allerlei moeilijkheden. De boswachter antwoordde dat ook hij van mening was dat er niet teveel van de algemene regel moest worden afgeweken om moeilijkheden te voorkomen. De verdere afdoening van deze zaak verliep naar tevredenheid van Natuurmonumenten: 'U hebt deze zaak heel goed behandeld.' Over het rapen van mastappels adviseerde Peijnenburg, daarbij gesteund door de Rijksveldwachter, om geen sprokkelvergunningen af te geven. Gevreesd werd voor een grote toeloop waardoor het toezicht zou worden verzwaard.

Peijnenburg aan Natuurmonumenten, Loon op Zand 15 juni 1936:

'De regeling die wij thans hiervoor toepassen is, dat wij oogluikend toestaan, dat de menschen droge mastappels rapen (doch niet plukken) en dood sprokkelhout mogen halen, doch er mag geen gereedschap worden meegebracht naar de bosschen, hoogstens staan wij een sprokkelroe toe (stok met haak of mes). Zijn er personen die wij om een of andere reden willen weren uit de bosschen of die aan de eigendommen der Vereeniging schade aan brengen of toch gereedschap mede brengen om te hakken of te zagen, dan volgt een waarschuwing of proces-verbaal.'

Aan het 'oogluikend toestaan' van het sprokkelen van hout zou in de Tweede Wereldoorlog een einde komen. Sinds die tijd diende iedereen over een vergunning te beschikken. Oudere inwoners van Loon op Zand kunnen zich nog herinneren dat ze als kind op hun vrije woensdagmiddag met een kwartje in de hand een sprokkelvergunning moesten gaan halen bij de boswachter op de Hoge Steenweg voor het rapen van 'kroten': dennenappels voor het aanmaken van de kachel. Na aanbellen deed Peijnenburg zelf open, dat wil zeggen het luikje ging open waaruit zijn hoofd tevoorschijn kwam, want binnenlaten was er niet bij. Maar vóór de oorlog werd het sprokkelen meestal door de vingers gezien, zeker als je niets beschadigde. De twee Rotterdammers die met de auto naar de Loonse en Drunense Duinen waren gekomen om mastappels van zeedennen te plukken kregen een bekeuring omdat ze gereedschap gebruikten. Ze kondigden aan dat ze in Amsterdam een vergunning zouden aanvragen. Peijnenburg: 'Ik zou in geen geval dergelijke vergunningen afgeven, daar er veel dennen mee beschadigd of vernield worden, wat ook met de twee bovengenoemde plukkers het geval was.'

Houtdiefstal kwam regelmatig voor. In het najaar van 1936 was weer eens sprake van 'driest optreden' van twee houtdieven, die gelukkig op heterdaad konden worden betrapt. Kort daarna was het wéér raak.

Peijnenburg aan Natuurmonumenten, Loon op Zand 27 november 1936:

'Ik heb de laatste dagen weer druk bezoek van houtdiefstal. Vorige week vrijdagavond is het mij gelukt een twee tal personen op heeter daad te betrappen, die juist bezig waren met het afhakken van een groene dennenboom, ik heb bedoelde personen bekeurd en boom en hakmes in beslag genomen. Nadien zijn er nog dooie boomen van onze terreinen verdwenen. Het toezicht en waaken tegen bedoelde houtdieven hebben wij thans extra verscherpt, hierin trouw bijgestaan door de Rijksveldwacht, en wij zijn vast besloten ook deze hout dieven nog te pakken.'

Met Peijnenburg viel niet te spotten: hij kreeg dit stel te pakken. Er ging bijna een jaar voorbij tot hij met kennelijk plezier kon schrijven dat hij was 'gedagvaard voor de Politierechter te Breda, voor mijn beruchte houtdieven, het is te hopen dat zij een gevoelige straf krijgen'.
De dieven kregen hun straf en de boswachter kreeg van zijn werkgever een boek. Peijnenburg: 'Hiermede wil ik U Edele op de eerste plaats dank zeggen, voor het mooie blijk van waardeering, welke ik heden heb ontvangen in de vorm van een vogelboekwerk "Zien is kennen" in verband met den strijd welke ik den laatste tijd hier tegen de houtdieven heb te voeren, doch gelukkig begin ik er de schrik wat in te krijgen. Ik zal echter niet rusten voordat zij gaan begrijpen dat zij andermans eigendom moeten ontzien en niet meer prat op gaan, zoo als deze laatste ook weer, met te zeggen "ik ga maar naar Grootvaders bosch" (hier worden onze terreinen mee bedoeld).'
Wanneer het om kinderen ging en het vergrijp minder ernstig was, had Peijnenburg een lichtere vorm van bestraffing achter de hand, die ook goed werkte.

Peijnenburg aan Natuurmonumenten, Loon op Zand 24 augustus 1936:

'Bijgaand zend ik U Edele de weeklijst. Op deze weeklijst staat bij Ontvangst wegens vernieling ƒ 1,- ontvangen, deze omstandigheden hebben zich als volgt toegedaan. J. Klijn had een drietal jongens aangetroffen die wat hout haalden en voor dit doel een vijftal dunne boompjes hadden afgekapt en deze voor brandhout hadden kort gekapt. De vader van een dezer jongens is toen bij ons geweest met de vraag of J. Klijn geen vervolging tegen de jongens zou willen instellen, dan verklaarde hij zich bereid om de schade, door het afhakken van bedoelde boompjes aangericht, te betalen, de jongens waren buiten zijn medeweten dit gaan doen. Aangezien dat het nog maar kinderen waren is er geen Proces-Verbaal opgemaakt en heb ik bedoelde schadevergoeding gevraagd en op de weeklijst verantwoord.'

Oudere inwoners van Loon op Zand kennen dit soort verhalen. Een persoonlijke herinnering van Diny Kemmeren: 'Op een keer waren we weer eieren aan het zoeken en we hadden succes. Terwijl we niets vermoedend over een pad liepen, kwam daar opeens Jan Peijnenburg aangefietst. Hij had al lang gezien wat we gedaan hadden, stopte en maakte een praatje. "Zo jongens, aan het wandelen? Jullie gaan toch geen nesten uithalen?" Wij antwoordden: "Nee Jan, dat doen wij niet." Intussen stond hij al naast degene die de eieren onder zijn pet had zitten. Die gaf hij een vriendschappelijk klapje op zijn pet en zei: "Dan zijn jullie goeie jongens en ga ik maar weer eens verder." Hij deed alsof er niets gebeurd was en stapte weer op zijn fiets. Even later liep de struif bij de ongelukkige onder zijn pet uit.'
Zo leerde Peijnenburg de jeugd een lesje, een lesje dat nog een staartje kon krijgen, want die struif in haren en pet bleef bij thuiskomst natuurlijk niet onopgemerkt. En zo verenigde hij de twee petten van zijn boswachterfunctie: die van natuurbeschermer én die van politieagent.

foto padvinderskamp

Zoals op de bij de ingangen geplaatste borden stond aangeven, was het verboden om te kamperen in de Loonse en Drunense Duinen.Vooral aan de noordkant verbleven elk jaar kampeerders en padvinders die vaak roekeloos met vuur omgingen bij het aanleggen van vuurtjes om te koken en bij kampvuren. Dit was moeilijk te bestrijden omdat het kampeerterrein zich net buiten de grens van het natuurgebied bevond en de eigenaar een vergunning had van de gemeente Drunen.

Op verzoek van Peijnenburg wees Natuurmonumenten de burgemeester van Drunen op dit brandgevaarlijke gedrag. De gemeente nam er 'met grote verwondering' kennis van en veronderstelde dat er een vergissing in het spel was. De maatregelen 'betreffende kampeeren, rooken en vuur ontsteken in bosch en heide, zwemmen enz. in onze gemeente zijn zeer streng en ongetwijfeld uiterst doelmatig; zij worden ook zeer nauwkeurig nageleefd, dank zij de dagelijksche intensieve controle van een speciaal daarvoor aangestelden boschwachter'. Ook Peijnenburg kreeg van de burgemeester te horen dat deze zeer beledigd was door de brief van Natuurmonumenten en dat hij de klacht ongegrond vond. Peijnenburg beschreef samen met Klijn in een rapport hoe een en ander was gegaan, zodat Natuurmonumenten een oordeel kon vellen en de gemeente een onderzoek zou kunnen instellen. Het bleek te gaan om een padvinderskamp op grond van een boer in Giersbergen. Naast brandgevaarlijk gedrag werden de padvinders beschuldigd van het wegslepen van (takken)bossen, ook groen hout, uit het bezit van Natuurmonumenten.

Peijnenburg aan Natuurmonumenten, Loon op Zand 19 augustus 1936:

'Verder deelde de Burgemeester mij mede dat hij over het optreden van J. Klijn lang niet tevreden was en gegronde klachten had over hem en zijn optreden, doch dat hij om J. Klijn te sparen en hem zijn baantje niet wou ontnemen, geen klachten van hem heeft willen indienen. Ik heb de Burgemeester toen verzocht om, indien hij gegronde klachten heeft, van J. Klijn (of van mij) deze dan ook aan U Edele zou bekend maken, opdat U Edele dan zou kunnen nagaan, in hoeverre deze op waarheid berusten, en wat daar tegen te doen. Ik voor mij weet niet waarop deze klachten betrekking moeten hebben, mogelijk is er kwaadsprekerij in het spel.
Indien het mogelijk is zou ik gaarne het verdere verloop van deze aangelegenheid nog eens vernemen.'

De gemeenteboswachter van Drunen stelde een onderzoek in waaruit bleek dat de 'door Uwen boschwachter gerapporteerde feiten niet de conclusie wettigen, dat ten aanzien van kampeeren, rooken en vuur ontsteken in bosch en heide onder Drunen wantoestanden zouden heerschen'. De gemeente voegde eraan toe dat zij van mening was dat het optreden van de boswachters Peijnenburg en Klijn 'eenigszins slap was'. Natuurmonumenten zou nooit tevergeefs een beroep op de gemeente Drunen doen ter bescherming van het natuurschoon en de beveiliging daarvan tegen ieder onheil dat het zou kunnen schaden of ontsieren.
Van een padvindersgroep uit Waalwijk kwam het verzoek om het duinterrein ten westen van 'den zandweg Den Doorn-Loon op Zand' (?) te mogen gebruiken. Er zou niet worden gekampeerd en geen vuur worden aangelegd. Natuurmonumenten deelde mee dat het Dagelijks Bestuur enige tijd geleden had besloten om de terreinen van de Vereniging niet meer beschikbaar te stellen voor dit soort doeleinden. De rustige wandelaar had in het verleden zeer veel last ondervonden van kampeerders en padvinders. De padvinderij liet het er niet bij zitten en schakelde uiteindelijk zelfs Prins Bernhard, beschermheer van de Nederlandse padvinderij, in. Een dagboekaantekening van 4 mei 1940:

'Naar aanleiding brieven Jhr. Dedel namens Z.K.H. Prins Bernard met den Prins gesproken op vergadering Holl. Mij van Wetenschappen over kampeeren Padvinders op de Natuurmonumenten. Na uiteenzetting moeilijkheden door den heer van Tienhoven deelt de Prins volkomen het standpunt van de Verg. dat kampeeren niet moet worden toegelaten.'

Overlast werd bij tijd en wijle ook veroorzaakt door het gebruik van de Loonse en Drunense Duinen voor militaire doeleinden.

Peijnenburg aan Natuurmonumenten, Loon op Zand 27 juli 1936:

'Ook ik zou liever verschoond blijven van de oefeningen op onze terreinen, vooral als er paarden en wagens of tanks van onze terreinen gebruik moeten maken, daar deze mogelijk wel schade zullen aanrichten aan de eigendommen der Vereeniging, vooral de paden en wegen zullen hieronder veel te lijden krijgen, daar deze dan los en stuk zullen worden gereden.'

Peijnenburg aan Natuurmonumenten, Loon op Zand 4 augustus 1936:

'Ik zou er op aan dringen dat de terreinen gelegen tusschen West Loon en de Kraanvensche Heide en Efteling zoo veel mogelijk worden vermeden, en dat vooral de daar gelegen perceelen welke met gaas zijn afgemaakt, niet mogen worden betreden. (...) Wil er bij den Commandant ook vooral op aandringen, dat de vaste paadjes welke per rijwiel te berijden zijn en wij met veel moeiten, door ze met dennen naalden enz. te bestrooien hebben vast gekregen, niet worden stuk gereden, want het fietsen is voor ons toch al lastig genoeg. Wij zullen maar hopen dat wij zoo veel mogelijk van de oefeningen verschoond mogen blijven, en het beste er maar van hopen.'

Meteen na de oefeningen van 19 tot en met 21 september ging er een brief naar Amsterdam.

Peijnenburg aan Natuurmonumenten, Loon op Zand 21 september 1936:

'Wij zullen morgen beginnen om de hoofdwegen weer eenigzins berijdbaar te maken met de fiets, doch het zal nog een heel tijdje duren eer wij weer een behoorlijk vast fietspaadje hebben vooral van de Oude Huisplaats naar Bosch en Duin, welk pad door J. Klijn dagelijks moet worden bereden en voor mij ook onmisbaar is.'

Natuurmonumenten diende een klacht in bij Generaal-majoor Bischoff van Heemskerck. Boswachter Peijnenburg had in een gesprek met de commandant nog nadrukkelijk verzocht om de fietspaden te sparen. Na het herstel zouden de kosten in rekening worden gebracht. Er kwam antwoord van de 'Inspecteur der cavalerie, commandant der lichte brigade' dat de schade nogal meeviel. Het repareren van de wegen en fietspaden zou een paar dagen werk kosten. Met Peijnenburg was een vergoeding van ƒ 20,- overeengekomen. Behoudens onvermijdelijke kleinigheden was geen schade aan de terreinen berokkend. Onder dankzegging voor de bereidwillige terbeschikkingstelling werd ƒ 25,- vergoeding toegekend.

In de jaren voor de oorlog maakte het Nederlandse leger slechts bij uitzondering gebruik van dit gebied. Er is een keer een tweedaagse oefening gehouden door een bataljon Jagers uit Tilburg. Doordat er alleen infanterie aan deelnam waren de bezwaren niet zo groot, al zag de Vereniging liever in het geheel geen gebruik als militair oefenterrein. De commandant van het IIe Bataljon Regiment Jagers kreeg te horen dat men het gebied liever in natuurlijke staat wilde houden voor recreatie en wetenschap. 'In verband met de belangen van de landsverdediging, welke een oefening noodig maakt en in aanmerking nemende de betrekkelijk geringe sterkte van de daarbij betrokken troepen, die daarenboven slechts uit infanterie bestaan, wil het Dagelijksch Bestuur zich bereid verklaren aan het door u geuite verzoek te voldoen, waarbij wij het op prijs zullen stellen, dat alsnog overleg gepleegd [wordt] met onzen opzichter J. Peijnenburg, wonende aan de Hooge Steenstraat te Loon op Zand, omtrent terreingedeelten, welke zich voor het houden van manoeuvres niet leenen.' Natuurmonumenten vertrouwde er verder wel op dat het rookverbod streng zou worden gehandhaafd.

In de maanden die aan de inval van de Duitsers in ons land voorafgingen zou het gebruik door het Nederlandse leger intensiever worden.

Natuurmonumenten aan de Minister van Defensie, Amsterdam 27 december 1939:

'Wij begrijpen, dat in dezen tijd bijzondere eischen aan de oefeningen gesteld worden en dat ook verschillende bezittingen onzer Vereeniging daartoe gebruikt moeten worden. Het bevreemdt ons intusschen, dat op de natuurmonumenten beslag gelegd wordt zonder dat terzake overleg met onze Vereeniging gepleegd wordt. In dit verband veroorloven wij ons Uwe Excellentie te doen toekomen een mededeeling van den Burgemeester van Loon op Zand d.d. 18 december j.l., waarin kennis gegeven wordt van het voornemen van den Commandant van het Escadron Pag. van het 2e Regiment Huzaren Motorrijders om iederen Dinsdag en Zaterdag schietoefeningen te houden in de Drunensche Duinen, welk gebied binnen de opgegeven grenzen vrijwel geheel aan de Vereeniging toebehoort, terwijl met ons geenerlei overleg gepleegd werd. De Loonsche en Drunensche Duinen werden in den loop der jaren aangekocht ter wille van het bijzondere landschapsschoon dezer omgeving, ten deele nog bestaande uit wandelende stuifduinen. De aanzienlijke sommen, welke met den aankoop gemoeid waren, werden door de Nederlandsche natuurvrienden aan de Vereeniging geschonken. Het geheele gebied werd, wat wegen en paden betreft, voor het publiek toegankelijk gesteld, doch wij vreezen, dat door de bestemming, welke thans van militaire zijde aan de Drunensche Duinen gegeven werd, vele wandelaars dit gebied zullen mijden; bovendien is het te voorzien, dat de oefeningen schade zullen toebrengen aan de toch reeds schaarsche begroeiing en dat de in het wild levende dieren verontrust zullen worden. Wij meenen, dat, indien zulke uitgestrekte terreinen gebruikt worden voor militaire oefeningen als vaste regel aan de eigenaars een zekere vergoeding daarvoor betaald wordt en ook daarover heeft onze Vereeniging nimmer van militaire zijde bericht ontvangen. In het vorenstaande vonden wij aanleiding ons tot Uwe Excellentie te wenden mede in verband met de vroeger gehouden besprekingen. In beginsel zijn wij natuurlijk bereid een regeling te treffen, die aan de belangen der Weermacht tegemoet komt.'

Pas enige jaren na het einde van de Tweede Wereldoorlog zou tussen Natuurmonumenten en Defensie een vergoedingsregeling worden overeengekomen. Intussen werd het militair gebruik tot de inval van de Duitsers - en ook daarna, maar dat is een ander verhaal! - gewoon voortgezet.

Als regel ging het nieuws over de Loonse en Drunense Duinen van Loon op Zand naar Amsterdam, maar soms was het omgekeerde het geval. Dat betrof bijvoorbeeld de mededeling aan Peijnenburg dat het fietspad van De Rustende Jager naar Giersbergen door een aantal motorrijders zou zijn vernield, dit als gevolg van een betrouwbaarheidsrit, uitgeschreven door de K.N.M.V. (Koninklijke Nederlandse Motorrijders Vereniging). 'U wilt hier wel eens een onderzoek naar doen instellen.' Peijnenburg bevestigde dat het fietspad inderdaad was stukgereden, maar dat daaraan ook militairen mede debet waren.

Peijnenburg aan Natuurmonumenten, Loon op Zand 19 april 1940:

'Wie echter de grootste schuld heeft, van het stukrijden van het fietspad, zou ik niet met zekerheid durven zeggen, n.l. enkele dagen voordat bedoelde betrouwbaarheidsrit heeft plaatsgehad, hebben de militaire motorrijders bedoeld fietspad danig stukgereden, terwijl op den dag der betrouwbaarheidsrit, waaraan ook zeer veel militairen deelnamen, dit pad voor de tweede maal werd stukgereden, zoo dat er nadien weinig goeds meer van overgebleven is. Voor degenen welke deelnamen aan de gehouden betrouwbaarheids rit der K.N.M.V. was het volgens reglement verboden om over dit fietspad te rijden en werden hiervoor ook strafpunten toegekend, ook was dit pad door de K.N.M.V. als rijwielpad aangegeven. Uit een en ander blijkt dus dat de K.N.M.V. het rijwielpad niet voor den betrouwbaarheidsrit had bedoeld, doch alleen het karrenspoor, doch na de rit bleek wel dat er zeer veel overtreders zijn geweest, die toch van het rijwielpad gebruik gemaakt hebben.'

Een vliegveld in de duinen?

Terug naar het najaar van 1936, toen er nog een geheel ander gevaar dreigde voor aantasting en verstoring van de rust van de Loonse en Drunense Duinen. Door de Aeroclub Zuid Nederland, gevestigd te Tilburg, werd bij Natuurmonumenten geïnformeerd of er bezwaar bestond tegen het gebruik van de 'z.g. zandbergen als zweefterrein'. Van caféhouder Kruissen had men vernomen dat van de eigenaar geen principiële bezwaren te verwachten waren. Hij zou ook wel willen bemiddelen. Graag zou men de eisen en voorwaarden vernemen welke verbonden waren aan een eventuele concessie. Natuurmonumenten antwoordde de schrijver van de brief, H. Nienhuis te Geldrop, dat Kruissen niet namens haar kon spreken en vroeg Peijnenburg wat hij van deze zaak wist.

Peijnenburg aan Natuurmonumenten, Loon op Zand 5 oktober 1936:

'In antwoord op Uw brief d.d. 2 Oct. betreffende de zweefvliegerij is volgens zoo ver ik weet, de mededeeling als zou er veel gevlogen worden met vliegende modellen, zeer sterk overdreven. Wel heb ik den laatste zomer en ook al reeds eerder, personen, meestal kinderen, gezien die kleine modelvliegtuigen bij zich hadden en die in de Drunensche Duinen lieten zweven boven de stuifzand terreinen. Doch ik heb dit steeds als een Kindervermaak aangezien, en er verder weinig acht op geslagen, daar er totaal geen schade werd aangericht. Bovenbedoelde modelvliegtuigen welke ik gezien heb hadden een vleugel breedte van 1 tot 2 M. zoodat ik ze maar beschouwde als kinderspeelgoed. Nu ik weet dat dit vermoedelijk proeven zijn geweest voor Jeugdluchtvaartclubs zal ik aan deze sport meer aandacht aan gaan geven, en U zoo noodig inlichtingen geven. Heden trof ik in een plaatschelijk krantje van Loon op Zand en omgeving bijgaand krantenberichtje aan, wat ook op bovenbedoelde vliegsport betrekking heeft.'

Er volgde een 'aangenaam onderhoud' waarin aan Natuurmonumenten de bedoelingen van de zweefclub werden verduidelijkt. In plaats van de Aeroclub Zuid Nederland trad de Nederlandsche Bond van zweefvliegclubs als aanvrager op. Deze benadrukte dat het terrein zonder de minste verandering voor het doel geschikt was. Er hoefden geen kuilen gegraven en gebouwtjes gezet te worden. Van de zijde van Natuurmonumenten werd toegelicht dat zulk gebruik niet in overeenstemming was met de bestemming als natuurreservaat, dat moet dienen als 'een recreatieterrein voor den rustigen wandelaar en natuurliefhebber'. De bedoelde oefeningen met zweefvliegtuigen zouden de rust verstoren. Bovendien zou het aantal bezoekers toenemen, waardoor de plantengroei ernstig zou worden benadeeld. Wel werd de bereidheid uitgesproken om het verzoek in het Dagelijks Bestuur te bespreken. Per brief lichtte Nienhuis het plan nog eens toe. Het meest vlakke en onbegroeide gedeelte van het terrein was geschikt en dus was er geen gevaar voor beschadiging van de plantengroei. 'Op bijgaande schets is met een ster het punt gemerkt wat, afhankelijk van de windrichting, als middelpunt van de startbaan beschouwd zou kunnen worden.' Het terrein bevond zich op het grondgebied van de gemeente Drunen. De aanvrager had zich reeds in verbinding gesteld met een andere eigenaar, de douairaire Comtesse R. d'Oultremont-de Mérode.
'Het laat zich aanzien dat het nieuwe vliegveld (eigenaren de Gemeenten Tilburg, Breda, Gilze-Rijen.) waarschijnlijk binnen een jaar geheel klaar zal zijn. Van de Burgemeester van Tilburg mochten wij reeds toezegging ontvangen dat de oefeningen op dit terrein mogen plaatshebben.' Na deze verduidelijking werd het vertrouwen uitgesproken op een gunstige beslissing van Natuurmonumenten.

Schets vliegveldplan

Als rentmeester van de 'Grafelijke Familie D'Oultremont te Brussel' nam notaris Schreurs contact op met Natuurmonumenten: 'Het komt mij voor, dat een oefenterrein voor zweefvliegtuigen in de Drunensche Duinen, het einde beteekent van het rustig genot, hetwelk dat uitgelezen plekje natuurschoon aan den natuurliefhebber biedt.' Natuurmonumenten zat op dezelfde lijn. Er kon geen sprake zijn van een vliegveld voor zweefvliegtuigen op haar terrein. Dat ging niet samen met de bestemming natuurgebied. Uit hun verdere contacten bleek dat Nienhuis zich met de eigenaresse Comtesse d'Oultremont in verbinding had gesteld en geprobeerd had de ene partij tegen de andere uit te spelen. De Loonse en Drunense Duinen waren een recreatiegebied van de eerste orde, schreef Natuurmonumenten aan Schreurs. 'Bovendien komt het ons voor, dat de zeer oppervlakkige vastlegging met de moeizaam groeiende planten ten zeerste zal lijden als vele bezoekers naar het vliegen komen kijken en de vliegtuigen bij het opstijgen en neerdalen de zoo precaire beplanting vernielen.' Dat de Vereniging bij deze contacten - niet voor het eerst overigens - de gelegenheid te baat had genomen om te praten over een overdracht van de bezittingen van d'Oultremont, bleek uit het vervolg van de brief: 'Tenslotte verheugt het ons van U te vernemen, dat U met de heeren d'Oultremont wilt overleggen om de enclave, welke aan hen toebehoort, bij ons bezit te voegen, zoodat één geheel wordt verkregen.' Het ging om een brede strook grond met een oppervlakte van 20 ha, die dwars door de bezittingen van Natuurmonumenten liep. Het zou tot 1956 duren voordat aan die situatie een einde kwam en het bezit van de Vereniging in de Loonse en Drunense Duinen één groot en min of meer afgerond geheel ging vormen.
Ook de gemeente Drunen stelde zich op het standpunt dat een zweefvliegveld het natuurschoon ongetwijfeld zou schaden en achtte het niet mogelijk dat Natuurmonumenten daarvoor toestemming verleend zou hebben (dit laatste berustte op een mededeling van Nienhuis). 'Slechts met groote moeite gelukt het mij ter bescherming van natuurschoon de aan particulieren toebehoorende duinperceelen onbebouwd en ongerept te houden. Het exploiteren van een zweefvliegveld in de duinen nu zal ongetwijfeld den bouw eischen van 'n soort hangar (...). Per kerende post werd burgemeester mr. R.J.Th. van der Heijden gerustgesteld: 'Niet alleen zal de recreatiewaarde van de terreinen eronder lijden, doch ook de natuurliefhebber zal met beklemd gemoed de verontrusting van het terrein aanzien en daarenboven - en niet in de laatste plaats - zal, zooals U ook aangeeft, ernstige beschadiging plaats vinden in de oppervlakkige begroeiing der duinen, die het stuiven tegenhoudt.' Anders dan Nienhuis had meegedeeld aan de gemeente had het Dagelijks Bestuur van de Vereniging nadrukkelijk toestemming geweigerd. In een kort briefje kreeg ook Nienhuis deze boodschap, die daarop de handdoek in de ring gooide en spijtig vaststelde er niet in geslaagd te zijn het luchtvaartbelang op afdoende wijze te behartigen. Het ging niet om de inrichting van een vliegveld, zo stelde hij nogmaals. Evenals de 'modellen-vereeniging, welke reeds twee jaren haar toestellen op dit terrein laat opstijgen' zou het gebruik door de zweefclub het karakter van dit terrein als recreatie-oord niet geschaad hebben. Met respect voor de principes van de Vereniging betreurde hij de beslissing.

Kaartje bezit Natuurmonumenten in 1956

Bosbranden

Boseigenaren hangt permanent het gevaar van bosbranden boven het hoofd. Dat gevaar kan voor een eigenaar zelfs de aanleiding zijn om zijn bezit van de hand te doen. In het jaar 1929, dus nog voordat officieel bekend werd gemaakt dat Natuurmonumenten de Loonse en Drunense Duinen had aangekocht, boden twee eigenaren na een bosbrand hun bezittingen in Loon op Zand aan de Vereniging te koop aan. Als eerste was dat de N.V. Cultuuronderneming Zoomland te Bergen op Zoom die naar aanleiding van een brandje haar totale complex van ruim 645 ha - waarin de zogenaamde 'Ruwe Bosschen van Tilburg' gelegen waren - wilde verkopen. Opzichter Jacobs, wonende op het 'Huis ter Heide' kon ter plaatse de nodige inlichtingen geven. In diezelfde zomer brandde bij de Efteling circa 1,5 ha mast af op een terrein waarover eerder al gesproken was met de eigenaar, de verzekeringsmaatschappij Noord-Braband. Deze zag in de brand op haar complex de Efteling aanleiding om de onderhandelingen met Natuurmonumenten te heropenen.
Het natuurgebied Huis ter Heide zou pas in 1976 in handen komen van Natuurmonumenten, bijna een halve eeuw nadat het haar ter overname was aangeboden. Met de Efteling verliep het anders. Zoals hiervoor reeds is besproken, werd het door Natuurmonumenten in 1930 als onderdeel van een ruiltransactie in eigendom verkregen.

In enkele hiervoor aangehaalde brieven van Mombers en Peijnenburg aan Natuurmonumenten is het onderwerp bosbrand al naar voren gekomen; vooral bij brandgevaarlijk weer kwam dit telkens terug in hun correspondentie. Ook de grotere bosbranden op terreinen die geen eigendom waren van Natuurmonumenten werden door Peijnenburg gerapporteerd, zoals die in het voorjaar van 1933: 'Heden is hier te Loon op Zand weer een groote bosbrand geweest ten zuiden van het dorp, hier is ongeveer 3 à 4 H.A. afgebrand. Gelukkig niet op onze terreinen.'
In het voorjaar van 1934 hield de droogte buitengewoon lang aan: 'Wij zitten natuurlijk ook steeds in spanning over brand.' In Giersbergen brandden in dat jaar twee boerderijen af en bovendien nog een bos met dennenbomen en eikenhout en verder ongeveer 100 ha heide tussen Giersbergen en de Distelberg, deels op het bezit van Natuurmonumenten, die van de gemeente Drunen het verzoek kreeg om bij te dragen in de bluskosten.
Begrijpelijk dat Peijnenburg in spanning zat, temeer gezien de gebrekkige communicatiemiddelen in die tijd. Bijna niemand had een telefoonaansluiting - om van mobiele telefonie maar helemaal niet te spreken. Zelfs boswachter Peijnenburg had thuis geen telefoon en moest het aanvankelijk ook zonder uitkijktoren doen.

Peijnenburg aan Natuurmonumenten, Loon op Zand 24 maart 1935:

'Den uitkijktoren bij mijn huis is thans geheel klaar, ik heb nu een goed overzicht over onze terreinen, en ben nu in staat om bij eventueele boschbranden, vrij nauwkeurig de juiste plaats vast te kunnen stellen, waardoor ik dan ook spoediger ter plaatsche zal kunnen zijn.'

Peijnenburg aan Natuurmonumenten, Loon op Zand 7 september 1936:

'Volgens afspraak met Mijnheer v. Tienhoven zou ik nog eens opgeven een telefoonnummer bij mij in de buurt waar U Edele mij als het eens noodig mocht zijn, mij kunt bellen. Het kortste bij aangesloten is de garage Joh. v. Roosmalen telefoon nummer 20 waarvan ik steeds gebruik van mag maken.'

In 1938 deden zich meerdere branden voor. Het begon al in april, toen Natuurmonumenten aan 'een groot gevaar' ontsnapte. De brand was 's nachts uitgebroken en Peijnenburg kon de gedachte aan kwaadwilligheid niet van zich afzetten. Gelukkig werd maar een klein terrein vernield, mede dankzij de hulp van opgetrommelde boeren, zo constateerde Peijnenburg met nadruk in zijn verslag. Natuurmonumenten daarop: 'Acht U het gewenscht, dat de boerenjongens een kleine vergoeding krijgen dan regelt u deze zaak wel.' En in een brief over weer een brand een week later: 'Het stemt tot voldoening, dat zoovelen bereid waren hun medewerking aan het blusschen te verleenen; wij zullen wel weer een bedrag als vergoeding beschikbaar moeten stellen. Daaromtrent wilt U ons wel voorstellen doen.' Peijnenburg: 'Ik sta er telkens versteld van dat de menschen meest boeren uit den omtrek zoo spoedig komen opdagen om behulpzaam te zijn, wel een bewijs dat ook zij steeds op hun hoede zijn.'
Na de eerste branden in april volgde een droge en brandgevaarlijke maand mei. Het begon al de vierde mei dat Peijnenburg rookwolken zag en erop af ging.

Peijnenburg aan Natuurmonumenten, Loon op Zand 4 mei 1938:

'Ik gewapend met schop er zoo vlug mogelijk naar toe, het resultaat, heide afbranden met vergunning onder de Gemeente Helvoirt niet ver van onze terreinen. Na zoo een tocht is men doodop en bijna doornat van het zweet en ook, wat nog het ergste is, het grootste gedeelte [van] onze terreinen is al die tijd zonder toezicht wat juist met zulke dagen zoo hard noodig is. Bij terugkomst van genoemde tocht, bij de Oude Huisplaats zijnde (ongeveer 6 uur) zie ik weer groote zwarte rookwolken opstijgen, richting Efteling, weer zoo vlug mogelijk er naar toe, resultaat, bosch brand op de terreinen van den Heer Mombers, tegenover het Café De Efteling, daar weer mede aan het blusschen tot het vuur gestuit is en eindelijk 8 uur thuis om eens een boterham te kunnen eten, en vraag mij dan af wat zal het morgen weer zal zijn.
Zoo als U Edele ziet zijn dit toch toestanden die niet om vol te houden zijn. Ik ben ten alle tijden bereid en behulpzaam om bosch en heide branden te blusschen en dan is mij ook niets te veel, ook niet op andere terreinen buiten de onze, doch als men een tocht als bovengenoemd gemaakt heeft en men komt dan op de plaats van den brand aan, hebben zij een vergunning om heide af te branden zonder dat de noodige voorzorgmaatregelen zijn getroffen en dan hebben de omstanders nog plezier dat wij ons zoo in het zweet gefietst hebben door al die slechte wegen. U begrijpt dat er dan de moed wel wat uitgaat.
Bij den Heer Mombers op de Efteling is er heden een flink stuk zeer jonge dennen (10 à 15 jarige) afgebrand, gelukkig dat de sterke wind wat gekalmeerd was, anders was de ramp voor den heer Mombers thans niet te overzien geweest. Het is wel opmerkelijk dat bij Mombers het Publiek zeer slecht bereid was mede te helpen blusschen, terwijl dit op onze terreinen steeds het geval wel is.
Het ziet er voorlopig weer zeer slecht uit en het blijft steeds zeer scherp opletten en uitkijken.'

Dit verslag was voor Natuurmonumenten aanleiding om de zaak hoog op te nemen. De gemeente Helvoirt werd gewezen op het gevaar van het afbranden van heide. Er was daar bij zeer droog weer en sterke wind heide afgebrand, gebruik makend van een vergunning die verleend was door Helvoirt. De gemeente zou voorzichtiger moeten zijn en bij brandgevaarlijk weer geen vergunning moeten geven. Ook schakelde Natuurmonumenten de recentelijk opgerichte Noord-Brabantsche Boschbrandweer Vereeniging (NBBV) in, welke de gemeentebesturen zou moeten bewegen om gedurende een deel van het jaar geen vergunningen meer uit te reiken voor het afbranden van heide, tenzij onder zeer bezwarende bepalingen. Tenslotte ging er een brief op poten naar Gedeputeerde Staten van de provincies: Het werd hoog tijd dat in het algemeen belang aan de bevoegdheden van gemeentebesturen een eind werd gemaakt. Verzocht werd om adhesie te betuigen, een vergeefs verzoek.
Daarnaast overwoog Natuurmonumenten 'in dezen hoogst-brandgevaarlijke tijd' om het toezicht uit te breiden, maar Peijnenburg voelde daar niet veel voor. Hij stelde meer vertrouwen in de waakzaamheid en hulp van de boeren uit de directe omgeving.

Peijnenburg aan Natuurmonumenten, Loon op Zand 9 mei 1938:

'In antwoord op Uw brief d.d. 6 Mei over de vraag of ik het gewenst acht om extra hulp aan te stellen, om toezicht te houden, deel ik U mede, dat ik daar niet zoo veel van verwacht en wel om de volgende reden. Als wij, J. Klijn en ik, per fiets toezicht houden kunnen wij de voornaamste punten van ons terrein vrij goed bestrijken en elk onraad vrij goed constateeren, wat met vreemde krachten niet zoo goed het geval is. Van grooter nut acht ik het dat boeren langs onze bezittingen op het land werkzaam op hun hoede zijn en bij eventueele brand spoedig hulp komen bieden. In de meeste gevallen ziet men een brand spoediger buiten de boschterreinen dan wanneer men tusschen de bosschen aan het surveilleeren is, en wij houden er dan ook steeds rekening mede om zoo veel mogelijk deze open gedeeltes en hooge duinkoppen voor uitkijk te benutten, hiernaar regelen wij onze route die wij maken.
Hopende dat wij spoedig en veel regen krijgen.'

De zware kritiek aan het adres van de gemeente Helvoirt kon niet onbeantwoord blijven. De burgemeester deelde Natuurmonumenten mee dat er geen verschil van inzicht bestond over de te nemen voorzorgsmaatregelen en dat Helvoirt ook steeds in die geest had gehandeld. Tevens zorgde de gemeente voor politietoezicht, hoewel dat de laatste drie maanden wegens een vacature en andere omstandigheden toevallig niet mogelijk was geweest. Gezien het gevaar van bosbranden was de gemeente graag bereid om met de Vereniging samen te werken. De burgemeester wilde daar graag verder over van gedachten wisselen, ook over het 'op een niet juiste manier' optreden van boswachter Peijnenburg in het gemeentehuis van Helvoirt: 'Naar mij verzekerd werd heeft hij, zelfs zonder tevoren zijn persoon en qualiteit bekend te maken, zich op een niet vriendelijke toon gericht tot den gemeente secretaris en hem onderhouden zeggende: Dat voorzorgsmaatregelen onvoldoende waren genomen, dat het ongepermiteerd was vergunning te geven, dat ze het er niet bij zouden laten zitten, dat er al over geschreven was met de Provincialen Staten, en dat, als het niet zou helpen, andere maatregelen zouden genomen worden.' Natuurmonumenten moest begrijpen, zo vervolgde de burgemeester, dat hij een dergelijk optreden tegen zijn personeel niet kon toelaten en hij verzocht dan ook om een onderzoek. Verder wilde hij graag bevorderen dat 'alle politie-instanties, onverschillig tot welk wapen ze behooren, met elkaar samenwerken in onderling overleg en met goede verstandhouding. (...) Gaarne zal ik van U vernemen of naar Uwe meening Boschwachter Pijnenburg geschikt is samen te werken op de door U bedoelde wijze.'

In een sussend getoonzette brief aan mr. Bloemen, burgemeester van Helvoirt, nam Natuurmonumenten het op voor haar boswachter. Die werd zelf ook op de hoogte gebracht van de gevoerde briefwisseling en kreeg deze zelfs in afschrift vertrouwelijk ter inzage. Op de dag waarop Peijnenburg reageerde kon hij alweer het volgende brandgeval melden.

Natuurmonumenten aan gemeente Helvoirt, Amsterdam 24 juni 1938:

'Waarschijnlijk berust Uw meening op een misverstand, want Peijnenburg is een rustig en evenwichtig man (...). Indien hij zich misschien wat sterk heeft uitgedrukt, dan is dit toe te schrijven aan zijn verantwoordelijkheidsgevoel en zijn vrees voor onze bosschen. U moet niet vergeten dat hij in droge tijden dag en nacht in onzekerheid vertoeft omtrent de gevaren, die onze bosschen bedreigen, en toen hij in Uw gemeente een boschbrand meende te constateeren, is het begrijpelijk dat hij zijn ongerustheid uitte.'

Natuurmonumenten aan Peijnenburg, Amsterdam 24 juni 1938:

'De geheele moeilijkheid berust op een misverstand en indien de Burgemeester U eens vraagt om bij hem te komen, dan weet ik zeker, dat Gij als de beste vrienden zult scheiden. Omdat het onze gewoonte is U van alle omstandigheden op de hoogte te brengen, meenen wij goed te doen U de correspondentie ter lezing te geven, waar Gij, als Gij den Burgemeester spreekt, natuurlijk niets van moet laten blijken. Indien de Burgemeester u verzoekt om bij hem te komen, dan kunt Gij ronduit met hem spreken, maar Gij moet U natuurlijk niet laten verleiden tot scherpe opmerkingen, die slechts kwaad bloed zetten in een zaak, waarin wij de hulp en medewerking van het Gemeentebestuur zoo noodig hebben. Misverstanden kunnen zoo gemakkelijk uit den weg geruimd worden als van beide kanten voorzichtigheid en verstand wordt gebruikt, en ik weet zeker, dat alles op de beste manier kan worden geschikt.'

Peijnenburg aan Natuurmonumenten, Loon op Zand 27 juni 1938:

'Ingesloten zend ik U Edele ook wederom terug de beide brieven van de Gemeente Helvoirt, welke ik tot mijn genoegen ter lezing heb mogen ontvangen. (...) Ook ik ben gaarne tot goede samenwerking bereid en zal het voorgevallene als afgedaan beschouwen, hoewel ik daar toen ook niet vriendelijk werd behandeld. Ook was ik toen wel zeer prikkelbaar met al die branden van de laatste tijd, waar ik vrijwel machteloos tegenover stond en dat ik mij toen misschien wat sterk heb laten gaan, doch dat ik beledigend of bevelend heb opgetreden is een verkeerde opvatting, althans dit is nooit mijn bedoeling geweest.
Mocht de Burgemeester van Helvoirt mij daarom om een onderhoud vragen, dan ben ik gaarne bereid bij hem te komen om het een en ander onder het oog te zien en indien ik op een redelijke wijze word behandeld ben ik ook niet bang dat wij, wat mij betreft, niet als vrienden zullen scheiden.'

Peijnenburg aan Natuurmonumenten, Loon op Zand 27 juni 1938:

'Bijgaand zend ik u Edele een formulier van plaats gehad hebbende boschbrandjes in het Land van Kleef te Loon op Zand (...). Het is wel zeer opvallend dat beide brandjes midden in den nacht van zaterdag op zondag te ongeveer 1 uur zijn ontstaan en volgens onderzoek ook tegelijk zijn begonnen, midden op de perceelen in het bosch, waar juist de meeste ruig [wild en hoog opgroeiende beplanting] te groei stond en waar ook de wind het beste bij kwam om het vuur aan te wakkeren. Het staat bij mij dan ook vrijwel vast dat het hier een ernstig geval van opzettelijke brandstichting betreft. Ik werd in dien nacht door een tweetal fietsers, die bij mij langs kwamen gewekt en deze deelden mij toen mede dat er vermoedelijk bosch brand was in de Duinen daar zij in die richting zoo juist een lichtende vuurgloed hadden zien opstijgen. Ik kleedde mij zoo spoedig mogelijk en begaf mij per fiets in de richting Land van Kleef, waar ik spoedig de beide vuurhaarden zag. Onderweg heb ik nog op een viertal boerderijen de bewoners gewekt en hun hulp ingeroepen, zoo dat ik zeer spoedig met een 10 tal flinke boerenjongens de strijd tegen het vernielend vuur kon beginnen en het ook tot een kleine oppervlakte heb kunnen beperken hoewel het er in den beginne zeer slecht uitzag. Ik heb dan ook niets dan lof voor deze boeren die telkens zoo goed mede helpen en waar ik ten alle tijden hulp van kan verwachten. Wij hebben zoo wat drie kwartier gewerkt toen wij beide brandjes meester werden, terwijl ik met nog twee boeren tot half zes in den morgen aan nablusschen heb moeten werken, om dit verder voor den zondag ter bewaking aan Peerke Verhoeven toe te vertrouwen. Een vergoeding voor deze blusschers is hier zeker op zijn plaats, wat denkt u Edele van ƒ 0,75 of ƒ 1,- per persoon en ƒ 0,25 per uur voor nablusschen. Het is hier nog een geluk geweest dat wij zoo spoedig ter plaatse waren en dat het in de nacht niet zoo hard brand als op den dag, anders had het hier een ware ramp kunnen worden.

P.S. Wil mij ook nog formulieren zenden daar ik de laatste nu heb verbruikt, hoewel ik hoop er voorloopig geen meer noodig te hebben doch als ze het in de nacht aan komen steken is het moeilijk voorkomen.'

Natuurmonumenten aan Peijnenburg, Amsterdam 29 juni 1938:

'Met belangstelling namen wij kennis van Uw uiteenzetting omtrent het gesprek op het gemeentehuis te Helvoirt. Een goede verhouding tusschen de Vereeniging en de gemeentebesturen is natuurlijk van groot belang en wij zijn ervan overtuigd, dat U deze in alle opzichten in de hand wilt werken. Wij kunnen ons voorstellen, dat de herhaalde branden de gemoederen prikkelen en het verheugt ons daarom destemeer, dat U steeds op de medewerking van de boeren in de omgeving kunt rekenen, hetgeen weer is gebleken bij de beide brandjes, in den nacht van 25 op 26 Juni op zulk een geheimzinnige wijze ontstaan midden in de bosschen. Wij moeten wel aannemen, dat hier van opzet sprake is, doch het zal natuurlijk niet gemakkelijk vallen de(n) dader(s) op te sporen. Wij gaan er gaarne mede accoord, dat aan de blusschers een vergoeding van ƒ 0,75 per persoon wordt uitbetaald en ƒ 0,25 per uur voor nablusschen. Te hoog moeten wij dergelijke vergoedingen ook weer niet stellen, want dat bergt ook gevaren in zich.'

Natuurmonumenten aan gemeente Helvoirt, Amsterdam 5 juli 1938:

'U zult begrijpen, dat wij in den loop van dit voorjaar in verband met de buitengewone droogte hoogst angstig waren voor het behoud van onze terreinen (...).'

Met deze laatste brief was de lucht kennelijk geklaard. Natuurmonumenten had nog niet het voorrecht gehad persoonlijk kennis te maken met de burgemeester en gehoopt werd dat dat bij een volgend bezoek aan de Loonse en Drunense Duinen zou kunnen gebeuren.

In diezelfde periode werd gewerkt aan de oprichting van een provinciale bosbrandweer, de NBBV, waarin Peijnenburg een leidinggevende functie zou krijgen. Onder meer werden uitkijktorens gebouwd, waaronder een in Plantloon, en er vond overleg plaats met de betrokken gemeenten, boseigenaren en de PTT over telefoonaansluitingen van boswachters en andere medewerkers. De feitelijke totstandkoming van de NBVV vond in het voorjaar van 1939 plaats.

Peijnenburg aan Natuurmonumenten, Loon op Zand 21 april 1939:

'In antwoord op Uw brief d.d. 19 april over de Boschbrandweer, kan ik U Edele berichten dat deze is tot stand gekomen.
Deze streek is thans verdeeld in drie groepen, n.l. een groep Gem. Drunen, welke ook onze terreinen bestrijkt aan de Noordzijde en Giersbergen, een groep op Plantloon, hoofdzakelijk op de terreinen van de Mij Noordbraband en nog een groep Loon op Zand, welke onder mijne leiding is gesteld, en onze terreinen en de omgeving Loon op Zand bestrijkt. Mijn groep bestaat thans uit 14 leden terwijl ik er nog minstens 6 bij krijg, zoo dat deze dan wordt uitgebreid tot 20 leden, en waarvan J. Klijn dan ook als hulpleider kan optreden. Met deze groep hoop ik dan wel veel onheil te kunnen tegengaan, daar het ook alleen door mij uitgezochte personen zijn, die voorheen hebben bewezen personen te zijn, waarop ik ten alle tijden kan rekenen.
Ook de telefoon aansluiting ten mijne huize is ter sprake geweest. Den Heer Wormgoor, zou hierover de Gemeente Loon op Zand nog eens aanspreken, om door deze tusschen komst een aansluiting te krijgen of althans een reductie op de kosten ten algemene nutte, daar de Gemeente belangen hierbij ook gebaat zijn.
Wij zullen nu maar hopen dat wij zeer weinig behoeven uit te rukken om boschbranden te gaan blusschen.
Gisteren 20 April is er reeds een flinke boschbrand geweest, tusschen Loon op Zand en Tilburg, waarbij volgens mededeelingen ruim 5 HA moet zijn afgebrand, waarvan nogal veel dennenbosch bij is.'

Elk jaar deden zich wel kleinere en soms ook grote bosbranden voor en - afhankelijk van de weersomstandigheden - bestond altijd de kans op het uitbreken van een brand. Het was dus belangrijk daar zo goed mogelijk op voorbereid te zijn, niet alleen door een rookverbod en goed toezicht, maar ook door het aanleggen en schoonhouden van wegen en brandstroken. In de werkplannen die Peijnenburg jaarlijks moest indienen, vormden werkzaamheden die het brandgevaar moesten beperken een belangrijk onderdeel. Ook bij de tewerkstelling van werklozen werd steeds gewezen op het nut van het spitten van wegen en brandstroken, namelijk minder brandgevaar.
Daarnaast is een goed toegerust brandweercorps van belang, zoals de toen pas opgerichte provinciale bosbrandweer. Het meeste belang hechtte Peijnenburg echter aan de hulp van de 'boerenjongens' uit de directe omgeving; na elke grotere brand spande hij zich in om de blussers een behoorlijke vergoeding uit te keren.
Verwonderlijk is het te moeten constateren dat jarenlang gesteggeld is over de - in onze ogen toch onmisbare - telefoonaansluiting die Peijnenburg als (bos)brandweercommandant zou moeten krijgen en dan vooral wie de kosten voor zijn rekening zou moeten nemen. Natuurmonumenten en de NBBV waren het erover eens dat een 'doorlopende' verbinding nodig was, dus niet een die alleen te bereiken zou zijn gedurende de openstelling van het (telefoon)kantoor te Udenhout. Natuurmonumenten was bereid een deel van de kosten te betalen, doch vertrouwde erop dat ook de NBBV en de gemeente een gedeelte voor hun rekening zouden nemen. Pas vier jaar later - halverwege de oorlog - kon Peijnenburg melden dat de boswachterswoning onder telefoonnummer 60 was aangesloten. Dit was gebeurd door tussenkomst van de gemeente Loon op Zand, die in de oorlogsjaren naast de gewone brandweertaken de zorg had voor een goed functionerende Luchtbeschermingsdienst, waarvoor telefonische bereikbaarheid eveneens noodzakelijk was. Vergeleken met het gevaar van bosbranden is stormschade in een natuurgebied een vrij uitzonderlijk gebeuren. In de jaren dertig zijn de Loonse en Drunense Duinen één keer getroffen door een storm.

foto schade wervelstorm

Peijnenburg aan Natuurmonumenten, Loon op Zand 6 september 1937:

'Hiermede bericht ik U Edele dat wij hier op Vrijdagmiddag 3 Sept. een noodweer hebben gehad, gepaard gaande met stortregens en hevige stormvlagen. Over onze terreinen is ook zoo een stormvlaag van ongeveer 30 meter breed gekomen en heeft er heel wat schade aangericht. Op bijgaand schetskaartje is met roode lijnen en roode stippen aangegeven waar de stormvlaag is overgekomen en waar hij zoo wat het meeste schade heeft gedaan. Als U dit schetskaartje op de groote kaart legt krijgt U een duidelijk overzicht.
Er zijn zoo ongeveer 225 à 250 stuks boomen scheef- of omgewaaid, waarvan er veel bij zijn die gewoon door midden zijn gebroken of het lucifers waren. De om- en scheefgewaaide boomen hebben gemiddeld een lengte van 8 meter en een omtrek in het midden gemeten van ongeveer 20 tot 70 cm, op de plaats met een ×kruisje aangegeven is het zoo erg dat ik mij afvraag of het hier niet beste zou zijn, om dat geheele boschje te verkoopen. Op de overige gedeelten van onze terreinen behalve de aangegeven strook op bijgaand schetskaartje, heeft geen schade gehad en zijn er ook geen boomen omgewaaid, zoodat het alleen bij bedoelde strook is gebleven. Wat zouden wij het beste met dit hout kunnen doen? (...) U Edele komt mischien nog wel eens binnenkort naar Loon op Zand om de toestand ter plaatse eens te zien en te bespreken.'

Toenemende belangstelling

Dat de Loonse en Drunense Duinen voor het publiek vrij toegankelijk zijn is niet altijd vanzelfsprekend geweest. Natuurlijk waren leden van de Vereniging Natuurmonumenten er altijd zeer welkom. Daarvan getuigen de brieven van leden die informatie wilden of een klacht indienden. Deze werden steeds onmiddellijk en netjes, zelfs hoffelijk, beantwoord, een zeer 'klantvriendelijke' behandeling dus. Een voorbeeld: Toen de heer C. Pille Ris Langers uit Lith in de NRC van 9 juni 1932 een artikel las over 'Woeste gronden in N. Brabant', waarin de Loonse en Drunense Duinen ter sprake kwamen, wilde hij van Natuurmonumenten weten waar dit natuurmonument lag, hoe het te bereiken was en of het toegankelijk was met een bewijs van lidmaatschap van de Vereniging. Hij kreeg een persoonlijke brief met de mededeling dat het gebied van circa 1100 ha inderdaad eigendom was van Natuurmonumenten en dat reeds jaren geleden met de verwerving ervan was begonnen, maar dat de aankoop om verschillende redenen van praktische aard pas onlangs wereldkundig was gemaakt. Het terrein was voor het publiek vrij toegankelijk. De schrijver werd verwezen naar boswachter Peijnenburg die hem stellig gaarne van dienst zou zijn. Hij kreeg daarbij het advies om er een dag voor uit te trekken om alles behoorlijk te bezichtigen. De brief moest hij meenemen als een soort van introductie.
Tot de leden met bijzondere voorrechten behoorde de heer Timmermans uit Waalwijk. Als 'groot bewonderaar van de bosschen en duinen' zou hij graag toestemming krijgen om zich 'met een beperkt gezelschap' buiten de voetpaden te mogen begeven. Natuurmonumenten toonde zich verheugd dat zijn warme belangstelling uitging 'naar onze onvolprezen terreinen der Loonsche en Drunensche Duinen'.

Natuurmonumenten aan W. Timmermans, Amsterdam 8 mei 1940:

'Wij weten, dat U een groot natuurliefhebber zijt en willen gaarne aan Uw verzoek voldoen door u hierbij een vergunning toe te zenden om met Uw gezelschap ook buiten de wegen en voetpaden op onze terreinen te wandelen. Wij zijn ervan overtuigd, dat U niets zult doen wat tegen onze belangen strijdt, terwijl aan u een groot genot wordt verschaft.
Misschien kan de vergunning ertoe leiden, dat U anderen opwekt om onze Vereeniging te steunen en wij veroorloven ons U als drukwerk enkele circulaires toe te zenden, die wellicht hun bestemming kunnen vinden.
Als goede buur van ons willen wij U gaarne het voorrecht geven om van onze terreinen tenvolle te genieten als een waar natuurliefhebber.'

Als eigenaar van het landgoed Plantloon (ter plaatse bekend als ‘het bos van Timmermans’) was deze natuurliefhebber niet alleen een goede buur, maar hij en zijn zakenrelaties behoorden, zoals veel leden, ook tot de mogelijke financiers van de Vereniging en die moesten met veel egards behandeld worden. Van hen moest immers het geld komen om natuurgebieden te kunnen aankopen en voor het nageslacht te behouden. In een tijd dat de overheid geen aankoopsubsidies verstrekte werden natuurbeschermingsorganisaties, zoals de Vereniging Natuurmonumenten, gedragen door rijkere stadsbewoners, die oog kregen voor de rust en schoonheid die van de natuur kon uitgaan en zich grote zorgen maakten over het vele natuurschoon dat opgeofferd werd aan de landbouw.

Maar de Vereniging wilde meer dan alleen natuurbehoud, ze wilde ook dat alle 'natuurvrienden' ervan konden genieten en dat door het bezoeken van haar bezittingen de natuurliefde werd opgewekt. Dus niet alleen de leden, alle 'echte natuurliefhebbers' waren welkom. Echter, zoals ook blijkt uit de hiervoor geciteerde brief aan de provincie Noord-Brabant, werd gevreesd voor een grote toeloop van bezoekers, vooral van 'bezoekers van een ander gehalte', wat allerlei gevaren en nadelen met zich zou meebrengen. Gedoeld werd op overlast voor de rustige bezoeker, bosbranden, beschadigingen, diefstal en dergelijke en door dat alles zou meer toezicht nodig zijn.
Ook vervuiling van het natuurbezit werd als een toenemend probleem ervaren, wat aanleiding gaf tot een inventarisatie door Natuurmonumenten. Peijnenburg werd gevraagd om de situatie te beschrijven en zo mogelijk maatregelen voor te stellen.

Peijnenburg aan Natuurmonumenten, Loon op Zand 4 mei 1938:

'In antwoord op Uw vragen in Uw brief d.d. 3 Mei over de vervuiling der natuur deel ik U het volgende mede.
1. Het komt hier in de Loonsche en Drunensche Duinen ook veelvuldig voor dat de Natuur word verontreinigd, door papier, doozen, afval van vruchten enz.
2. Ook heele en stukken flesschen, jampotjes, blikjes van visch en groente, stroo en resten van eeten, dit laatste in de naaste omgeving van Kampeerders.
3. Als het Publiek gewezen wordt op genoemde verontreiniging krijgt men meestal ten antwoord "Ja Boschwachter wij ruimen alles op voor wij hier weg gaan" doch het komt dan nog zeer vaak voor dat men den andere dag het tegendeel moet constateeren.
4. Echte Natuurvrienden geven meestal een goed voorbeeld en ruimen alles goed op, ook wel eens wat anderen in die omgeving hebben achter gelaten.
5. Het beschadigen van boomen en planten door insnijden van letters enz. komt hier niet zoo veelvuldig voor, dit komt meer voor op plaatsen waar veel boomen voorkomen met gladde stammen b.v. op beuken, ook waar houten rustbanken voorkomen moeten het meestal ontgelden.
6. Het zal moeilijk zijn afdoende maatregelen te treffen tegen al deze verontreinigingen. Onderwijzend personeel van scholen, leiders van Vereenigingen en gezelschappen zouden hierin een goed voorbeeld kunnen geven.

Het komt hier ook nog vaak voor dat men papier, doozen, enz. wel bijeenraapt, doch deze in plaats van mede te nemen of onder zand of mos te stoppen op een hoopje legt tegen een boom of struik, om dan later door wind of andere bezoekers weer verspreid te worden.
Papiermanden plaatsen kan wel wat helpen doch is ook geen afdoende maatregel.'

Peijnenburg kon zoiets niet begrijpen. Toen hij met een verslaggever van een regionaal dagblad een zwerftocht door het natuurgebied maakte, wees hij zijn metgezel verontwaardigd op wat afval: 'Moet u nu eens zien, wat een rommel de mensen achterlieten. Ik geloof, dat wij onze activiteit voor de bestrijding van bosbranden moeten veranderen in een actie tegen de bosvarkens, "de natuurliefhebbers, die ons de schillen en dozen laten." Nee, dan heb ik liever met wilde zwijnen te doen.' Wilde zwijnen zou hij overigens ook tegenkomen in de Loonse en Drunense Duinen, maar dat was na de Tweede Wereldoorlog. Een krantenbericht uit 1947 verhaalde van een viertal scholieren dat op de provinciale weg tussen Kaatsheuvel en Loon op Zand 'ter hoogte waar destijds het Weekendhuisje stond van de firma Mombers uit Waalwijk' een zeer groot wild zwijn had gezien dat uit de bossen aan de westzijde van de weg kwam gesprongen over de prikkeldraad, op de gladde weg viel, uitgleed en in vliegende vaart verdween naar de voormalige Duitse munitieopslagplaats (M.A.St.) aan de andere kant. Volgens Frans Mombers kwamen de beesten uit Duitsland na een grote bosbrand die zomer in het Reichswald. In zijn brief uit Maastricht aan 'Beste Pé' (Petrus, de zoon van zijn broer Petrus) sprak hij over het wilde varken in het 'Mombersbos' in Loon op Zand: 'Ge moet eens zien rond de vijver of er geen voet staat daar het een waterarme streek is komt daar alles drinken en zich wassen vooral fazanten maar ook het wilde varken zal [het] doen.' Vervolgens maakte het jaarverslag 1949/50 van Natuurnonumenten eveneens melding van het voorkomen van een aantal wilde zwijnen in de Loonse en Drunense Duinen.
In een brief van de Vereniging aan Mombers van 6 september 1933 werd de toenemende belangstelling voor de Loonse en Drunense Duinen een 'ernstig nadeel' genoemd. Reeds meermalen was binnen het bestuur besproken hoe de belangen van de Vereniging het beste gediend zouden kunnen worden. 'Wij hebben er zelfs aan gedacht het terrein voor het publiek af te sluiten en alleen voor leden toegankelijk te stellen. Zulk een afsluiting zou natuurlijk een ernstige rem zijn voor hen die in de onmiddellijken omgeving daarvan gebouwtjes enz. willen plaatsen.'

foto vakantiehuisjes

Plannen zoals dat van de Constructiewerkplaats en Machinefabriek Somers te Waalwijk werden dan ook resoluut afgewezen. Omdat een verblijf voor tal van mensen aan zee te kostbaar was, zou de heer Somers zomerhuisjes willen bouwen voor de verhuur aan toeristen. De natuur van de Loonse en Drunense Duinen zou er naar zijn mening niet onder lijden. In de wintermaanden zouden de huisjes worden gedemonteerd en opgeslagen. Hij kreeg als antwoord dat tijdelijke woningen niet zouden bijdragen aan verhoging van het natuurgenot en dat overigens overwogen werd om het gebied alleen voor leden van de Vereniging open te stellen.

Ook andere voorbeelden laten zien dat het niet eenvoudig was om dit soort ongewenste ontwikkelingen te voorkomen. Zo moest men met lede ogen aanzien dat in de Eftelingse bossen een zomerhuisje was verrezen, gebouwd door een broer van Frans Mombers, welke laatste erop werd aangesproken: 'Eén dergelijk gebouwtje misstaat daar natuurlijk niet zoozeer, doch het zou ons spijten indien ooit anderen gelegenheid gegeven werd zich daar te vestigen, voor vaste of tijdelijke bewoning.' Frans Mombers antwoordde dat hij de bouw had afgeraden. 'Maar mijn broer heeft vijf zoons die allen goed oppassen en hun voornaamste uitspanning is in hun vrijen tijd naar de hei te gaan. Uwe opmerking [dat] ook anderen aldaar een buitenhuis willen hebben is juist. Ik heb echter aan niemand iets verkocht, noch vergunning gegeven.
' Een belangstellende om daar te wonen was de in Tilburg woonachtige secretaris van de Vereeniging van Waalwijksche Schoenfabrikanten die iedere dag met 'met den wagen' naar Waalwijk reed en onderweg de bossen rechts langs de autoweg (de Horst) passeerde. Na twaalf jaar huwelijk was het gezin verrast met een baby, die op advies van de dokter in de dennenlucht moest komen. Zou Natuurmonumenten niet een stuk bos willen verhuren om er een verplaatsbaar tuinhuisje op te zetten? Hij garandeerde bij voorbaat 'dat het natuurschoon absoluut onbeschadigd zal worden gehouden'. Het gezin bestond slechts uit drie personen met een dienstbode. Ook 'voor dit speciale geval' wilde Natuurmonumenten geen toestemming verlenen 'omdat onze bosschen behouden moeten blijven als één groot ongerept natuurterrein, waarin tuinhuisjes kwalijk passen. Juist de alom verrijzende zomerhuisjes zijn een groote verontsiering van het landschap, die zeer zeker in onze bosschen niet toelaatbaar is, en dit zult U wel bij nader inzien toegeven, omdat het voor U, evenals voor elken natuurvriend, een genot is om althans in een paar gedeelten van ons land de natuur nog in ongerepten staat te genieten. Daar uit Uw schrijven blijkt, dat U een open oog voor de natuur hebt, zult U wellicht gaarne in de gelegenheid gesteld worden om lid te worden van onze Vereeniging, waartoe wij U bijgaand een kleine circulaire doen toekomen.'

Voor de horeca, zoals De Roestelberg en Bosch en Duin, zou afsluiting natuurlijk nog een groter probleem vormen. Dreigen met afsluiting was voor Natuurmonumenten een instrument om meer greep op de horeca te krijgen en langs die weg de toeloop in de hand te houden, zoals we in het voorgaande reeds gezien hebben. Een 'rem' op de toeloop werd ook nagestreefd door niet mee te werken aan verbetering van de toegangswegen. Een verzoek van de Vereeniging Waalwijk's Belang om financieel bij te dragen aan de aanleg van een verharde weg naar de Roestelberg werd resoluut afgewezen, daar Natuurmonumenten zich reeds 'zeer hoge kosten' had getroost om het uitgestrekte gebied van de Loonse en Drunense Duinen 'ter wille van zijn natuurschoon' aan te kopen. 'De moeilijke tijdsomstandigheden drukken hun stempel natuurlijk ook op een vereeniging als de onze (...).
' Een andere toevoerweg lag 'tusschen het café 't Gommele en de woning De Rustende Jager aan den duinvoet'. De Vereniging was tegen een plan van de gemeente Udenhout om die weg te verharden. 'De rust in die omgeving zou ongetwijfeld in het gedrang komen als de harde weg tot aan den duinvoet doorloopt, en wellicht wordt er dan later aandrang uitgeoefend, den harden weg nog verder door te trekken,' zo schreef zij aan Peijnenburg. Burgemeester en wethouders van Udenhout kregen te horen dat Natuurmonumenten de Loonse en Drunense Duinen en ook de woning De Rustende Jager had aangekocht 'teneinde het eigenaardige natuurschoon dier omgeving te kunnen behouden, voor nu en voor de toekomst'. Verharding van de weg naar De Rustende Jager zou naar verwachting tot een belangrijke vermeerdering van het bezoek leiden. Natuurlijk wilde de Vereniging natuurvrienden graag in de gelegenheid stellen haar terreinen te betreden, doch haar vrees was dat een beter begaanbare weg vooral bezoekers zou aantrekken die onvoldoende oog voor de natuur en het natuurschoon hadden en dat de rust in de duinen in het gedrang zou komen. Om deze redenen kreeg de gemeente het verzoek om de verharding niet tot De Rustende Jager uit te voeren, 'doch slechts zoover als uit anderen hoofde noodig is'.

Het nog verder doortrekken van de weg vanaf De Rustende Jager zou hebben betekend een verharde weg naar Giersbergen en Drunen, dus dwars door de Loonse en Drunense Duinen, iets wat we ons nu niet meer kunnen voorstellen, maar waar Natuurmonumenten destijds bang voor was. In de negentiende eeuw zijn er door de gemeenten Drunen en Udenhout meerdere pogingen ondernomen om een verharde weg door de duinen aan te leggen en het heeft maar weinig gescheeld of die was er gekomen. In plaats daarvan koos de provincie Noord-Brabant voor de weg Helvoirt-Nieuwkuijk.
Natuurmonumenten wilde geen verharde weg, maar wat zij wél graag zou zien, was het opknappen van het fietspad naar Giersbergen, een plan waarover al langer werd gesproken. Voor Peijnenburg en Klijn zou het een verbetering zijn en daarnaast een vermindering van het brandgevaar. Een krantenartikel van een onderwijzer, W. Smits, die tevens correspondent was van het dagblad het Huisgezin, zette het plan voor een goed 'verbindingsfietspad' weer op de agenda. Gezien de ligging op het grondgebied van de gemeente Drunen, zou die het op moeten knappen. Van Iersel wist echter dat de gemeente Udenhout in het verleden al eens een bijdrage had verstrekt. Mogelijk zou die nu weer willen meebetalen. Peijnenburg stuurde het krantenartikel naar Amsterdam en stelde voor om de gemeente Drunen te wijzen op het belang van dit fietspad. De gemeente antwoordde dat het pad voor een deel al was verbeterd, terwijl naar middelen werd gezocht om ook het overige gedeelte in behoorlijke staat te brengen. Zij tekende daarbij wel aan dat een afdoende verbetering moeilijk was als gevolg van de zanderige bodem.

Tot beperkte vrije toegang voor alleen leden van de Vereniging zou het niet komen. Wel werd besloten om het terrein - althans bepaalde wegen - open te stellen voor ruiters, zodat die ook van het natuurschoon konden genieten, maar die dienden dan wel over een vergunning te beschikken die alleen tegen betaling verkrijgbaar was.

Peijnenburg aan Natuurmonumenten, Loon op Zand 27 maart 1937:

'In antwoord op Uw brief d.d. 24 Maart, over paardrijden, deel ik U Edele mede dat ik de volgende wegen zou willen bestemmen voor de paardrijder: de wegen van G. v.d. Kaa [Café De Efteling] naar de Roestelberg, van G. v.d. Kaa naar West Loon, en van Prov. weg - West Loon naar het Land v. Kleef, verder van Land van Kleef naar de Oude Huisplaats in den Duin, van de Oude Huisplaats naar Bosch en Duin; de twee Gemeente wegen n.l. Loonshoekje naar Loon op Zand en Roestelberg naar Molenstraat kunnen vanzelf ook bereden worden, ook de weg Rustende Jager naar Giersbergen.'

Natuurmonumenten nam dit voorstel over. Peijnenburg moest op het gemeentehuis gaan overleggen over de te plaatsen bordjes. Deze waren 10 bij 10 cm en voorzien van de naam van de Vereniging en een hoefijzer, met daarin de letter R.

Veel toeloop was er in de strenge winter van 1940. Er werden niet alleen schaatswedstrijden op de ijsbaan gehouden, zoals Eshuis in zijn bezoekverslag schreef, maar ook werd in de duinen de skisport beoefend, een nieuw verschijnsel.

Peijnenburg aan Natuurmonumenten, Loon op Zand 28 januari 1940:

'Door de zware sneeuw van de laatste dagen zijn de Drunensche Duinen thans een waar sportterrein geworden voor het skiën. Dagelijks komen er verschillenden in de Drunensche Duinen zich in de skisport beoefenen. Heden zondag was het er zeer druk, een clubje had er n.l. een wedstrijd in elkaar gezet, waarvoor de route met kleine vlaggetjes was uitgezet. Naar schatting waren er heden zondag 50 à 75 aan het skiën in de omgeving van Bosch en Duin, terwijl het zeer druk was met toeschouwers. Bij den ingang der Duinen telde ik maar liefst 30 geparkeerde auto's.
Gaarne wou ik nu eens weten of U Edele er soms bezwaar in ziet dat deze sport op onze terreinen beoefend wordt, en zoo ja, wat hiertegen te doen? Aan het terrein wordt geen schade aangericht, daar deze sport op de kale zandheuvels wordt beoefend.'

Natuurmonumenten had geen bezwaar en schreef aan de weduwe Klijn dat door de buitengewoon lange en strenge winter de duinen als wintersportterrein waren gebruikt, iets wat niet veel voorkwam. Ook voor het zomerseizoen werd als gevolg van het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog meer toeloop verwacht. 'Het bezoek zal dit jaar nog wel grooter zijn dan gewoonlijk, nu in den vacantietijd de uittocht naar het buitenland niet zal plaats vinden. U moet Uw best maar doen om het busje zoo spoedig mogelijk gevuld te krijgen.'

foto schuur in sneeuw

Inmiddels marcheerde het Duitse leger op naar de Nederlandse grens. Peijnenburgs laatste brief had betrekking op een klacht van iemand die bij de Roestelberg bekeurd was en de boswachter had uit Amsterdam het verzoek gekregen om uit te zoeken wat er was voorgevallen en om na te gaan of de politie bereid was geen vervolging in te stellen.

Peijnenburg aan Natuurmonumenten, Loon op Zand 8 mei 1940:

'In antwoord op Uw brief d.d. 6 Mei, betreffende de bekeuringen van den Heer H.J.E. Stolk en anderen, bericht ik U Edele dat ik heden een onderhoud heb gehad met de Gemeente Politie te Kaatsheuvel. Ook deze deelde mij mede dat er inderdaad alleen maar bekeurd is voor het zich buiten de paden bevinden op Verboden terrein en nu de Vereeniging liever in dit geval van vervolging afziet er geen Proces-Verbaal van zal worden opgemaakt. Zooals u Edele wel bekend is werd alhier de laatste jaren streng opgetreden tegen de zedeloosheid en het kan niet anders of er loopen ook onschuldigen een bekeuring mede op, die zich te ver buiten de wegen en paden ophouden. Ook is het Politie korps hier te Kaatsheuvel sterk uitgebreid en wordt er mijn inziens wel wat al te streng opgetreden, vooral door de nieuwe Krachten. Ik heb dan ook al reeds enkele malen erop gewezen, dat het niet de bedoeling is van de Natuurmonumenten om maar lukraak alles te bekeuren wat zich buiten de paden bevindt, maar dat een zeer soepel optreden zeer op prijs gesteld wordt. Ook heden heb ik er de Chef Veldwachter nog eens op gewezen, dat een soepel optreden verlangd wordt, waarop hij mij mede deelde hiermede rekening te zullen houden.'

Twee dagen later, op vrijdag 10 mei, viel het Duitse leger ons land binnen. Terugtrekkende Nederlandse militairen werden op de weg van Loon op Zand naar Kaatsheuvel vanuit de lucht aangevallen, waarbij ook de bezittingen van Natuurmonumenten schade opliepen. Dat zou het begin worden van een nieuw tijdvak met geheel andersoortige belevenissen en zorgen in werk en leven van boswachter Peijnenburg.

Dit artikel is - met meer illustraties en geraadpleegde bronnen - gepubliceerd in het jaarboek Straet & Vaert 2008

Home